1700-1900

Griendcultuur

Landbouw in de Lopikerwaard

De Lopikerwaard was na de ontginningen in de Middeleeuwen en in de periode daarna steeds meer ingeklonken. Daardoor kwam het maaiveld dicht bij het grondwater en was het gebied vochtig. Alleen gras en grienden wilden er groeien, ook al omdat flinke delen van de bodem weinig vruchtbaar waren.

Het gras- en hooiland maakte van de Lopikerwaard een veeteeltgebied. Er werden zowel koeien voor het vlees als voor de melk gehouden. De slagers in de stadjes verdienden een goede boterham en ook de kaasmakers bezaten vaak flinke boerderijen. Kaasmaken was een ambacht dat vooral door vrouwen werd uitgeoefend. In de tijd dat de koeien geen melk gaven, zorgden eendenkooien voor een aardige bijverdienste.

Grienden zijn aanplanten van els en wilg. De takken kunnen zo in de grond worden gestoken en lopen daarna uit. Een deel van de wilgentenen werd gebruikt voor het maken van manden en ander vlechtwerk, maar het overgrote deel vond zijn weg naar de hoepmakerijen in de stad IJsselstein. Hoepen waren de gebogen twijgen, die als hoepels om de tonnen werden geklemd. Tonnen waren hèt verpakkingsmateriaal van de vroegmoderne tijd. De hoepindustrie kon worden uitgebreid in slechte tijden. Als er bijvoorbeeld veepest heerste of het land erg nat was door dijkdoorbraken, werd veel grasland omgezet in griendland. Door de natte ondergrond was er weinig keuze: gras of griend. Iets anders wilde er niet groeien. Direct rond de stadjes en dorpen lagen boomgaarden en tuinen. Daar werden groente en fruit verbouwd. Vanaf het begin van de twintigste eeuw werd IJsselstein een echte kersenstad, er waren wel vijftig kersenboomgaarden.

Ook de kassentuinbouw nam een hoge vlucht. Naarmate de stad Utrecht uitbreidde, werden de warmoezeniersbedrijven in Pijlsweerd en rond Tolsteeg verdreven door huizenbouw. Die hoveniers en tuinders vestigden zich toen voor een deel in Vleuten, waar grote kassencomplexen en boomgaarden werden aangelegd.