1650 - 1832 Tijd van regenten en vorsten

Hofstedes en buitenplaatsen

Van boomgaard tot privé-paleisje

In het gebied waar zich al voor de Sint-Elisabethsvloed de latere Oud-Dubbeldamse polder bevond, kwam geleidelijk aan nieuw land tevoorschijn. Land waarop de Dordtse elite haar hofsteden en buitenplaatsen bouwde.

Tot het begin van de zeventiende eeuw lag Dordrecht als een klein stadseiland aan een grote binnenzee met kreken, slikken en gorzen die in de loop der tijd steeds hoger kwamen te liggen. Met kapitaal van de Dordtse elite werd er nieuw land gewonnen. Reeds gevormde kades werden in 1603 aaneengesloten, waardoor de Oud-Dubbeldamse polder ontstond. Hierna volgden de Merwede- of Noordpolder in 1616, de Zuidpolder in 1617, de Alloysenpolder in 1652 en de Wieldrechtse polder in 1659.

In de jaren 20 van de vorige eeuw werd het deel van de Biesbosch ten zuiden van de Wieldrechtse Zeedijk als werkgelegenheidsproject ingepolderd, waarmee het Eiland van Dordrecht zijn huidige vorm kreeg.

Heerlijkheden
De Wieldrechtse polder was de eerste waar grond werd verkocht. Zo vergaarde Matthijs Beelaerts de gronden in die polder, waarmee de heerlijkheid Wieldrecht werd gevormd. Nog steeds is een deel van de Wieldrechtse Zeedijk in bezit van nakomelingen van Beelaerts. Aanvankelijk was dat het recent uitgestorven geslacht Pauw van Wieldrecht en nu is dit de familie Elias.

Ook de heren van De Mijl en Dubbeldam investeerden in deze polder, waar zij oude rechten hadden. Net zoals Wieldrecht was De Mijl voor de Sint-Elisabethsvloed al een ten zuidwesten van Dordrecht gelegen heerlijkheid in de zogenaamde Tieselenswaard. De heerlijkheden Wieldrecht en De Mijl werden uiteindelijk zelfstandige gemeenten, die zich uitstrekten tot in de Hoeksche Waard. Ze hebben tot 1857 bestaan en gingen toen op in de gemeente Dubbeldam, die op haar beurt in 1970 door Dordrecht werd geannexeerd.

Buitenverblijven
Buitenverblijven bestonden er in vele vormen en gradaties. Er waren bescheiden huizen met een boomgaard, maar ook kapitale panden met schitterende tuinen. Tot die categorie kunnen het nu nog bestaande Dordwijk, Crabbehoff, Amstelwijck, Weizigt en De Rozenhof worden gerekend.

De oudst bekende buitenplaatsen zijn het huis Dubbeldam (Van der Mijle), Dordwijk (Van Beveren), Rusthout (Trip), Dubbelsteyn (Van den Burch), Zuidhoven (Van Beveren) en Buitenrust (Van den Santhevel), allen gelegen in de Oud-Dubbeldamse polder. Het nog bestaande Weizigt (Bosman) dateert uit 1722.

Merwestein (Berck) werd rond 1611 als boomgaard en speeltuin gesticht en werd pas in 1714 een buitenplaats. In de Noordpolder lag Noordhoven (Van Hogeveen) en in het zuidoosten, weer in de Oud-Dubbeldamse polder, het in 1628 als boerderij gebouwde Haaswijk, dat rond 1720 een hofstede werd (Van Slingeland).

Een van de machtigste buitenverblijven was het in de Zuidpolder gelegen Wielborg. Het was aanvankelijk van de familie Trip en later meer dan honderd jaar in bezit van het geslacht Van Neurenberg.

De in diezelfde polder gelegen hofstede Crabbehoff (Van de Clooster) dateert uit 1622. In 1808 brandde het kasteelachtige gebouw af. Het verhaal gaat dat een afdeling Franse veteranen zich naar Crabbehoff spoedde om te helpen blussen. In werkelijkheid ging het ze vooral om het vlees van de in het vuur omgekomen koeien. Meegenomen zakjes zout verraadden hun verkeerde bedoelingen.

In de Wieldrechtse polder vinden we Groenhoven (Braats), Rustenburg (Trip), Kilzicht (Stoop), Wielhoven (Beelaerts), Krab- en Landzicht en Veerzicht (Timmers) , Gravenstein (Braets) en Amstelwijck (Trip).