Dordtse plantages in West-Indië

Goudleerkamers en slavenarbeid

In 1621 werd de West-Indische Compagnie (WIC) opgericht. Deze verkreeg het alleenrecht op de handel in West-Indië, waarmee Zuid-Amerika, het Caribisch gebied en de westkust van Afrika worden bedoeld.

De WIC bestond uit vijf zogenaamde Kamers. Dordrecht participeerde in de Kamer op de Maze, samen met Delft en Rotterdam, en vervulde daarbinnen een zelfstandige rol. De stad was namelijk verantwoordelijk voor de uitrusting van de schepen. Met de oprichting van de WIC begon de beruchte driehoekshandel, waarbij producten als textiel en ijzer vanuit de Republiek naar Afrika werden geëxporteerd en geruild tegen slaven.

Brazilië
Afrikaanse slaven werden van oudsher door de Spanjaarden en de Portugezen richting Amerika vervoerd, waar ze aan plantage-eigenaren werden verkocht. Deze wrede slavenhandel werd streng veroordeeld door de Nederlanders. Er was toch niets mee te verdienen en het werd dan ook graag als oorlogspropaganda tegen de Spaanse vijand gebruikt.

In 1635 kreeg de Republiek echter bezittingen in Brazilië en zag men ineens het grote economische belang van slavenhandel in. De plantages moesten immers bewerkt worden door grote aantallen arbeiders en die aantallen konden niet uit eigen land worden gehaald. Morele overtuigingen werden dan ook prompt aan de kant gezet en de Republiek stortte zich op de slavenhandel.

De WIC-schepen haalden suiker, koffie en tabak uit Zuid- Amerika. In 1641 vertrok Pieter Pietersz. Schiff vanuit Dordrecht naar Pernambuco, waar hij in het bezit van een suikerplantage kwam. Andere Dordtse plantage-eigenaren in Pernambuco waren Foppe Adriaensz. en Martinus van Toulon. In 1654 verloren de Nederlanders hun Braziliaanse bezittingen aan de Portugezen. Schiff vlucht met zijn gezin naar Dordrecht, waar hij in 1667 van de Staten van Holland een schadevergoeding krijgt uitgekeerd en daarmee samen met zijn broer een suikerraffinaderij begint.

Suriname
Tussen 1665 en 1667 veroverde de Republiek Suriname op de Engelsen. De eerste Dordtenaren die daar plantages begonnen, waren Govert de Bruijn, zijn zwager Pieter van der Werff en diens jeugdvriend Simon van Halewijn.

Pieter van der Werff bezat de plantages Dordrecht, Nieuw Accaribo en nam Killestein van zijn zwager over. Van suikerplantage Dordrecht is bekend dat daar ruim tweehonderd slaven werkten. Op Killestein werden koffie en katoen verbouwd. Zijn zoon Pieter was handelsagent van de Middelburgsche Commercie Compagnie (MIC) en in die functie verantwoordelijk voor de afzet van de slaven en koopwaar in Suriname. Hieronder viel ook de opsporing van gevluchte slaven.

Dezelfde Pieter van der Werff was eigenaar van drogisterij De Rozynkorf op de Voorstraat. De legende wil dat iemand Pieter eens vertelde over zijn droom van een verborgen schat in diens tuin. De kruidenier vond daar een partij goud, waarna zijn zaak tot grote bloei kwam. De herkomst van de goudleerkamer uit drogisterij De Rozynkorf in museum Van Gijn heeft niet zoveel met deze legende te maken en is terug te voeren naar Pieters activiteiten in Suriname. Drogisterij De Rozynkorf heeft tot 1976 bestaan.

Simon van Halewijn, schoonzoon van raadpensionaris Johan de Witt, werd er in 1693 van beschuldigd in het geheim vredesonderhandelingen met een Franse gezant gevoerd te hebben. Schuldig bevonden aan landverraad werd hij veroordeeld tot levenslange gevangenschap in Slot Loevestein. Hoe hij het deed, weten we niet, maar Simon wist in 1696 te ontsnappen en, hoogstwaarschijnlijk via zijn connecties bij de WIC, naar Suriname te vluchten. Van Halewijn bezat de suikerplantages Beaumont, ’t Eylandt, Puttenzorg, Peperpot en Mopentibo. Net als zijn vriend Pieter van der Werff bleef hij tot zijn dood in Suriname.