1623 Tijd van regenten en vorsten

Dordrecht, de stad van Jacob Cats

Het puntje van een gaeuwe pen is 't felste wapen dat ick ken…

Zomaar een citaat van Jacob Cats - wie kent ze niet? De Nederlandse taal zit er vol mee. ’Vadertje Cats’ heeft ruim dertien jaar van zijn leven in Dordrecht gewoond, gewerkt en gedicht.

In 1622 werd stadspensionaris mr. Johan Berck door de Staten- Generaal belast met het gezantschap van de Republiek in Venetië, waardoor zijn functie in Dordrecht beschikbaar kwam. Een pensionaris was de voornaamste juridisch adviseur in dienst van een stad of gewest in de toenmalige Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Op 27 november 1622 vertrok Adriaan van Blijenburgh als gezant van Dordrecht naar Middelburg om Jacob Cats te polsen of hij er iets voor voelde om pensionaris van Dordrecht te worden.

Loopbaan
Cats werd in 1577 geboren in Brouwershaven als zoon van een biersteker. Hij promoveerde na een studie rechten in Leiden aan de universiteit van Orleans, waarna hij een praktijk in Middelburg begon. Hij was gespecialiseerd in geschillen over de kaapvaart. In december 1603 werd hij stadsadvocaat in Middelburg. Cats begon zijn politieke loopbaan in 1621 als pensionaris van Middelburg. Hij werd door de Dordtse Oudraad een 'nut ende bequaam persoon' gevonden.

Een uitgewoond huis
Cats ging bij het beantwoorden van de vraag van Van Blijenburgh niet over één nacht ijs; hij heeft behoorlijk getwijfeld of hij de aangeboden functie zou accepteren. Maar uiteindelijk aanvaardde hij het ambt per 1 mei 1623. In april van dat jaar vertrekt hij met zijn vrouw en dienstboden naar Dordrecht om een door Van Blijenburgh gehuurd huis gereed te maken voor de komst van zijn gezin uit Middelburg. Tot zijn ergernis treft Cats een volkomen uitgewoonde woning aan die onmogelijk tijdig gereed kon zijn. Zijn huis in Middelburg had hij al verkocht en hij diende dat in mei 1623 op te leveren. Op 22 mei was hij nog in Middelburg, terwijl Van Blijenburgh, geholpen door diens vrouw en een aantal werksters, hard bezig was om het huis aan de Wijnstraat op orde te krijgen. Dit stond op de plek van de Bonifatiuskerk. De uiteindelijke verhuizing vond plaats in de eerste week van juni 1623.

Naar de Hoge Nieuwstraat
Aan het eind van de jaren 20 had Jacob Cats het wel gezien in de Wijnstraat. Hij verhuisde met zijn gezin naar de jonge wijk het Nieuwe Werck, waar hij in de Hoge Nieuwstraat een representatief huis huurde. De woning telde maar liefst zeven stookplaatsen. Er heerste in deze stadswijk een leefklimaat waarin Cats zich prima thuis voelde. Er woonden welgestelde geloofsvluchtelingen uit de Zuidelijke Nederlanden en creatieve handwerklieden. Een van hen was Gillis Huppe, de beeldhouwer die in 1618 de Groothoofdspoort van beeldhouwwerk had voorzien. Ook woonden er kunstschilders, zoals Jacob Gerritsz. Cuyp, zijn broer Abraham en later Nicolaes Maes, nadat hij zijn studie bij Rembrandt had voltooid. Het was een inspirerend en creatief stadsdeel.

De dichter Cats
De dichtwerken van Cats behoren tot de meest gelezen boeken van Nederland. Het gewone volk bezat vaak niet meer dan twee boeken: een (staten)bijbel én een dichtwerk van Cats. Aangezien hij dertien jaar in Dordrecht heeft gewoond, kan het niet anders zijn dan dat veel van zijn citaten in de Merwestad aan zijn pen zijn ontsproten.

Voor het poortje van het  Dordtse Oude Vrouwenhuis, dat nu in de Hofstraat staat, heeft hij het volgende versje gemaakt:

SIET HIER WERDEN ONDERHOUWEN OUDE, KOUDE, SWACKE VROUWEN. TROTSE VRIJSTERS, FIERE JEUCHT, SIET HOE DAT JE WERDEN MEUCHT. 

In 1636 werd hij benoemd tot raadspensionaris van Holland en vertrok hij naar ’s-Gravenhage. In 1653 zou de Dordtenaar Johan de Witt dat ambt gaan vervullen.