ca. 1637-1863 Tijd van regenten en vorsten

Slavernij

Mensenhandel en gedwongen arbeid

De Nederlandse kolonisten in Azië en het Atlantische gebied verhandelen in de zeventiende eeuw mensen om te werken op plantages, in mijnen en in huishoudens. Deze slaven krijgen geen loon en moeten gedwongen werken. Dit leidt vaak tot opstanden en vluchtpogingen. Pas in 1863 verbiedt Nederland de slavernij.

Fort Elmina
Portugezen stichten in de vijftiende eeuw de eerste Europese kolonies gebaseerd op slavernij: in suikerplantages langs de Afrikaanse kust en later ook op grote schaal in Brazilië. Andere Europese landen nemen dit voorbeeld over. Langs de Afrikaanse kust worden forten gesticht om handel te drijven met koninkrijken in Afrika. Het belangrijkste Nederlandse fort is Elmina, in het huidige Ghana. Hier wordt gehandeld met het koninkrijk van Ashanti, dat mensen rooft of krijgsgevangen maakt in oorlogen. De Nederlandse handelaren ruilen deze mensen in Elmina voor textiel, metaal, sieraden, alcohol, buskruit en wapens.

West-Indische Compagnie
Onder leiding van gouverneur-generaal Johan Maurits van Nassau-Siegen, de gouverneur-generaal van Nederlands-Brazilië, wordt de Republiek een steeds belangrijkere speler binnen de mensenhandel. De West-Indische Compagnie verliest in 1654 de kolonie Brazilië en daarmee een groot deel van de afzetmarkt. De WIC gaat echter door met de mensenhandel, vooral naar Engelse en Spaanse kolonies. Curaçao wordt hiervoor het knooppunt in het Caribisch gebied. De Republiek groeit zo voor korte tijd uit tot de grootste slavenhandelaar van de wereld. In Azië verhandelen Nederlanders eveneens honderdduizenden mensen.

Na 1750 is de trans-Atlantische slavenhandel het omvangrijkst. De Nederlandse rol in de slavenhandel neemt af, maar de door slaven gemaakte producten worden belangrijker voor de economie. Rond 1770 wordt maar liefst 19 procent van de importgoederen door tot slaaf gemaakte mensen geproduceerd en bestaat ruim 5 procent van de Nederlandse economie uit slavernijgerelateerde activiteiten. Tussen de vijftiende en negentiende eeuw vervoeren Europese slavenhandelaren in totaal zo’n twaalf miljoen slaven over de Atlantische Oceaan, van wie 600.000 op Nederlandse schepen.

Opstand
Op slavernij gebaseerde samenlevingen zijn extreem ongelijk en gewelddadig. De slavenhouders hebben de wet aan hun kant en passen terreur toe om met een kleine minderheid de controle te houden. Er is voortdurend klein en groot verzet. Op het Surinaamse platteland wordt zo’n 95 procent van de bevolking als slaaf gehouden. Een deel weet te vluchten naar de bossen, waar ze zich schuilhouden. Vanuit hier voeren ze langdurig strijd tegen de kolonisten. Deze gevluchten en hun nakomelingen worden marrons genoemd. Enkele marrongroepen, zoals de Saamaka, Aluku en Okanisi, bestaan nog steeds.

In 1795 vindt op Curaçao een opstand plaats onder leiding van verzetsstrijder Tula. Hij eist met mede-opstandelingen de vrijheid, geïnspireerd door de idealen van de Franse Revolutie en de succesvolle slavenopstand op Saint-Domingue (het huidige Haïti en destijds een Franse kolonie). De Nederlandse koloniale machthebbers slaan Tula’s opstand in hetzelfde jaar neer. Hij en zijn medestrijders worden gemarteld en geëxecuteerd.

Afschaffing
Eind achttiende eeuw neemt de verontwaardiging over de slavenhandel toe. Na de geslaagde opstand op Saint-Domingue besluiten de Fransen de slavernij af te schaffen. De Engelsen verbieden de slavenhandel in 1808 en zetten koning Willem I in 1814 onder druk om de slavenhandel ook te verbieden. Afschaffing van de slavernij volgt pas in 1860 voor Nederlands-Indië en op 1 juli 1863 in de Atlantische kolonies.

Jaarlijks wordt in Nederland op 1 juli met het bevrijdingsfeest Keti Koti – Surinaams voor 'Ketenen gebroken' – de afschaffing van de slavernij herdacht en gevierd.

 

Bijbehorende hoofdlijnen: