Het testament van Maria Duyst van Voorhout, vrijvrouwe van Renswoude

De Fundatie van Renswoude, kweekplaats van talent

Wat bezielde een rijke, kinderloze vrouw uit de hoogste kringen om het grootste deel van haar fortuin te bestemmen voor de opleiding van begaafde weesjongens? De drie voornaamste erfgenamen in het testament van vrijvrouwe Maria Duyst van Voorhout waren namelijk de weeshuizen in Delft, Den Haag en Utrecht. Elk weeshuis kreeg het gigantische kapitaal van 500.000 gulden geschonken dat beheerd moest worden door de Fundatie. Reden voor de keuze van de drie steden: in Delft was zij geboren, in Den Haag woonde zij met haar echtgenoot Frederik Adriaan baron van Reede, vrijheer van Renswoude, en in Utrecht verbleef zij de laatste jaren van haar leven.

Maria Duyst (1662-1754) werd geboren uit een aanzienlijk Delfts geslacht. Ze vergaarde haar vermogen door overerving, overigens met de verdrietige achtergrond dat zij op 12-jarige leeftijd al wees was. Haar grootmoeder nam de voogdijschap op zich. Maria trouwde -in 1685 met baron van Reede. Vanwege zijn royale levensstijl was haar grootmoeder gekant tegen dit huwelijk en bepaalde dat Maria pas na zijn dood over haar erfenis kon beschikken. Daarop moest ze tot 1738, meer dan vijftig jaar, wachten.

Maria had grote belangstelling voor de natuurwetenschappen. Haar testament uit 1749 bepaalde dat het grootste deel van het vermogen besteed moest worden om talentvolle weesjongens vanaf 15 jaar op te leiden in de wis- en natuurkunde, teken- of schilderkunst, beeldhouwkunst en waterbouwkunde. Het was een vooruitstrevend initiatief, want er bestonden nog geen theoretische opleidingen in die vakken, terwijl er grote behoefte was aan goed opgeleid technisch personeel. Bijzonder was bovendien dat weesjongens uit lagere sociale milieus kans kregen een beroepsopleiding op niveau te volgen.

Na hun toelating, waarvoor de jongens examens moesten afleggen, werden ze opgenomen in het speciaal gebouwde Fundatiehuis aan de Oude Delft, pal naast het weeshuis. Ze droegen een uniform in de kleuren van het wapen van de vrijvrouwe. De pupillen leefden zoals de deftige burgerij: voor maaltijden, was en schoonmaken werd gezorgd. Naar verwachting zouden ze later in de betere kringen verkeren en daarom werd hen goede manieren bijgebracht, zoals beschaafd spreken en eten met mes en vork van een eigen bord. Ze kregen theoretisch onderwijs van uiterst bekwame docenten en volgden ook praktische lessen. De opleiding was erop gericht om de pupillen zelfstandig een beroep of een leidinggevende functie te laten uitoefenen. Een eventuele vervolgopleiding werd door de Fundatie betaald. Zo studeerde Abraham van Bemmelen aan de Leidse universiteit, waarna hij promoveerde. Maar niet iedereen rondde de tienjarige opleiding af. Veel hing af van doorzettingsvermogen, sociale vaardigheden en allerlei externe factoren. Verscheidene Delftse weesjongens brachten het ver en werden arts, landmeter, ingenieur of planter in Indië. Frederik Willem Conrad (1769-1808) maakte carrière bij waterstaat, waar hij in 1807 benoemd werd tot inspecteur-generaal.

Na 1795 verslechterde de financiële situatie in het land wat onder Frans bewind nog verergerde. Pas na het vertrek van de Fransen in 1813 kon de Fundatie een nieuwe start maken. Begin twintigste eeuw werd het steeds moeilijker onder weeskinderen jongens te vinden die geschikt waren in de Fundatie te worden opgenomen. Voor kinderen uit de onderste lagen van de maatschappij was de kans op schipbreuk zeer groot. Uiteindelijk werd gekozen voor het verlenen van studiebeurzen. Tegenwoordig worden die gegeven aan studenten tot ongeveer dertig jaar (mannelijke en vrouwelijke) onder wie een groeiend aantal van allochtone herkomst. Daarmee werd de oorspronkelijke onderwijstaak van de Fundatie beëindigd.