Jacobus Baljée

Weldoener en slavenhouder

Jacobus Martinus Baljée heeft een bijzonder leven gehad. Dat weten we dankzij de vele brieven die hij aan zijn familie schreef. Van een jongen in een weeshuis in Leeuwarden groeit hij uit tot een schatrijke man in Indië, met een groot landgoed – én slaven.

In de achttiende eeuw zijn de verschillen tussen arm en rijk groot. Sommige Nederlanders leven in grote luxe. Een deel hiervan profiteert van de grondstoffen en producten uit Nederlands-Indië: een voormalige kolonie van Nederland, een land dat nu Indonesië heet. Dat Jacobus Martinus Baljée zich later bij die rijkelui zou voegen, is in zijn jeugd nauwelijks voor te stellen.

Weeshuis
Jacobus Baljée wordt in 1752 geboren. Zijn ouders hebben een breiwinkel in Leeuwarden, waar hij en zijn oudere zus helpen. Al vroeg overlijden zijn vader en moeder. Jacobus belandt in het Stadsweeshuis, samen met zijn zus en een jonger broertje en zusje. Hier krijgt Jacobus voor het eerst in zijn leven les en hij blijkt een slimme en ijverige leerling te zijn. Op zijn twaalfde mag bij werken bij een chirurgijn, waar hij ook operaties leert uitvoeren zoals het amputeren van een been. Wanneer de Leeuwarder dokter hem niets meer kan bijbrengen, mag Jacobus met hulp van het Stadsweeshuis verder leren bij een chirurgijn in Amsterdam.

Naar Indië
Jacobus ziet het avontuur wel zitten. Op zijn 22e gaat hij als chirurgijn op een VOC-schip werken, dat naar Indië vaart. Als aan boord een ziekte uitbreekt, weet hij veel bemanningsleden te genezen. De bazen van de VOC zijn onder de indruk van Jacobus. Na een paar jaar op zee, krijgt hij aan wal een baan aangeboden: hij mag in de Indische stad Batavia in een ziekenhuis werken. Daar ontmoet hij zijn vrouw Maria Magdalena du Chène de Vienne, een Euraziatische vrouw van dubbel bloed. Zij is de dochter van de Europese lijfarts van de gouverneur-generaal van Indië en zijn tot slaaf gemaakte 'huisslavin'. Maria wordt in slavernij geboren, maar wanneer ze acht maanden oud is erkend haar vader haar als zijn dochter en krijgt ze haar vrijheid. Het is een rijke familie, waar Jacobus de vruchten van plukt. Want als zijn schoonvader overlijdt, krijgen hij en Maria een erfenis van 84.000 gulden. Dat is in onze tijd ongeveer een miljoen euro waard.

Landgoed en uitbuiting
Met het geld van zijn schoonfamilie koopt Jacobus een enorm landgoed, van wel 25 bij 20 kilometer groot. Er zijn suikermolens, pakhuizen, duizenden ossen en koeien. Op de landerijen worden diverse producten verbouwd: koffie, rijst, suikerriet, nootmuskaat, foelie, kaneel en kruidnagel. Maar bovenal werken er duizenden Indiërs op zijn plantage, waarvan velen lijfeigenen of tot slaaf gemaakten zijn. De orde en veiligheid wordt afgedwongen door een geraffineerd stelsel van subtiele beloningen, ‘verdeel-en-heers’-strategieën en wrede bestraffingen. Een jongen die vier koperen kandelaren, drie ploegen en wat kleding steelt, krijgt een straf die niet mals is: hij wordt aan een paal gebonden, gegeseld en gebrandmerkt en moet daarna 25 jaar zonder loon werken.

Erfenis naar Leeuwarden
Als man van aanzien krijgt Jacobus belangrijke baantjes in Batavia, zoals burgemeester, regent van het weeshuis en president van de Schepenbank waar recht wordt gesproken. In 1815 sterft zijn vrouw en acht jaar later overlijdt hij zelf op 71-jarige leeftijd. Omdat hij kinderloos is gebleven, laat hij geld na aan zijn familie in Leeuwarden en aan enkele lijfeigenen, waarvan hij ook een aantal hun vrijheid schenkt. Het merendeel van zijn fortuin gaat echter naar het Stadsweeshuis in Leeuwarden. Hiermee kunnen de weeshuisregenten het gebouw vergrootten en betalen ze opleidingen voor leergierige wezen. Een monument ter ere van Jacobus Baljée staat er inmiddels niet meer, maar boven in de gevel van het weeshuis zie je nog altijd zijn achternaam.

De Canon van Leeuwarden is een initiatief van het Historisch Centrum Leeuwarden