7 Abdij Postel

Paters van betekenis

Hij maakt een rare start als geestelijke. Er moet een onweer aan te pas komen voor hij zijn losbandige leven inruilt voor een godsvruchtig bestaan als kloosterling. Rond 1100 wordt Norbertus van Xanten, afkomstig uit Gennep, van zijn paard geworpen als vlak voor hem de bliksem inslaat. Versuft ligt hij op de grond en vraagt dan, de ogen hemelwaarts, ‘Heer wat moet ik doen?’ Een stem van boven antwoordt: ‘Wend je af van het kwade en doe alleen nog het goede.’

Norbertus gooit het roer om. Dat levert op termijn tal van abdijen op. Vooral die van Postel (B) is voor de Kempen van grote betekenis. Nog steeds trouwens, maar dan vooral als toeristische trekpleister. Naast de abdij van Postel is ook die van Averbode (B) van invloed op de Kempen.  

Na zijn bekering sticht Norbertus in 1121 in Prémontré (Fr) een nieuwe kloosterorde onder de naam ‘premonstratenzers’ – naar de plaats waar het allemaal begint. Maar meestal worden de kloosterlingen norbertijnen genoemd, naar hun stichter. En in de volksmond heten ze witheren, dit vanwege hun witte kloostergewaad.

De orde kent een stevige groei. Her en der in Europa worden abdijen gesticht. Zo ook in de (thans) Belgische plaatsen Averbode (provincie Vlaams-Brabant) en Floreffe (provincie Namen, Wallonië). Een schenking van veel (woeste) grond in en rond Postel aan deze laatste abdij, vormt het begin van de vestiging van norbertijnen in dit Kempendorp. Bijna vijf eeuwen lang (vanaf 1138) is het Postelse klooster ‘slechts’ een priorij (een soort filiaal), maar in 1618 wordt het een zelfstandige abdij. En dat is het nog steeds.

Zielzorg

Voor norbertijnen zijn het kloosterleven en pastorale zorg belangrijk. Daarom nemen ze vanuit Postel en Averbode veel zielzorg op zich, tot in de verre omtrek. Met daarbij het recht om hun eigen priesters voor benoeming voor te dragen (patronaatsrecht). Ook in materieel opzicht staan ze hun mannetje. Hun dwangmolen verplicht boeren uit de streek daar hun graan te laten malen. Verder verwerven ze tal van bezittingen. Aan het begin van de zeventiende eeuw hebben ze in het zuiden van de Meierij 57 hoeven, 13 molens en tal van visvijvers en woeste gronden in eigendom. In de huidige Nederlandse Kempen betreft het tientallen boerderijen. Zo beschikt Postel onder meer over Hoeve Ten Vorsel in Bladel en Hoeve Ten Broghel in Reusel, en heeft Averbode de Eerselse Heijnshoeve in bezit. Die hoeven leveren aanzienlijke opbrengsten op uit de landbouw. Daar komen de jachtrechten en de tienden nog bij. Deze laatste zijn belastingopbrengsten die bestaan uit het tiende deel van de opbrengst. Overigens zijn de norbertijnen geen alleenheersers. Ook andere instellingen pikken een graantje mee, zoals het Bossche Geefhuis.

Gastvrijheid

De abdij van Postel is eeuwenlang het toonbeeld van gastvrijheid. Deze ziet het als haar opdracht de hongerigen te spijzen, de dorstigen te laven en de vreemdelingen te herbergen. In de zeventiende eeuw komen drie keer per week, op de speendagen, ruim 300 armen naar het klooster. Vanuit het spijndingsvenster in de hoofdpoort krijgen ze bier en brood voor een hele dag. Twee keer per jaar, bij het begin en het eind van de vasten, stromen zo’n 5.000 armen naar Postel. Ze krijgen elk twee broden, een pond spek, twee haringen en een pot bier. Wie blootsvoets komt, krijgt een paar schoenen. Op 27 februari 1631 – Vette Donderdag, de donderdag voorafgaand aan de vasten – ontaardt de bedeltocht in een plundering. Daarbij worden 6.000 broden en 3.000 pond spek buitgemaakt.

Toegewezen aan het zuiden

Na de Vrede van Munster (1648) hebben de Zuidelijke en de Noordelijke Nederlanden nog lang ruzie over het bezit van Postel. Pas eind achttiende eeuw wordt de abdij toegewezen aan het zuiden. Daarbij raakt het klooster veel van haar bezittingen in Nederland kwijt. Toch heeft Postel ook daarna nog invloed op de Nederlandse Kempen, vooral rond zielzorg en landbouwontwikkeling. Ook trekt de abdij kloosterlingen aan uit de Nederlandse Kempen.