6 Willibrordus

Kempen gekerstend en in de boeken

Ooit van de processie van Echternach gehoord? Drie stappen vooruit, twee stappen achteruit. Je komt wel vooruit, maar echt opschieten doet het niet. Gelukkig laat de Luxemburgse stad waar de heilige Willibrordus een abdij stichtte, de Kempen een boek na waar we wel veel mee zijn opgeschoten.

Het boek waar het hier om gaat, betreft het zogenoemde gouden boek. Van verscheidene Kempendorpen staan daarin de namen, waardoor we weten vanaf wanneer ze in elk geval bestaan. En die processie van Echternach? Die bestaat nog steeds, hij staat ook wel bekend als de Springprocessie.

Willibrordusputten

Willibrordus komt zo rond 700 uit Engeland naar deze regio om het christelijk geloof te verkondigen en de inwoners te dopen. Dit laatste doet hij in poelen die later worden omgebouwd tot Willibrordusputten. Ook in Westerhoven treffen we zo’n put aan, gewijd aan Sint Valentinus. Bij de put wordt later een kapel gebouwd die veel gelovigen trekt. Of Willibrordus ook echt Westerhoven bezoekt, staat allerminst vast. Wel mogen we aannemen dat hij actief is in Brabant, want het wemelt er van de Willibrordusputjes. En zeker is dat hij Echternach bezoekt. Want in deze Luxemburgse stad wordt hij in 739 begraven. Zo’n veertig jaar eerder stichtte hij er een benedictijnerabdij.

Gouden boek

Zo’n vijfhonderd jaar na de stichting, in 1191 om precies te zijn, publiceert deze zelfde abdij een boek: het Liber aureus Epternacensis, ofwel het gouden boek van Echternach. Het beschrijft de belangrijkste bezittingen die Frankische edelmannen aan de stichter Willibrordus hebben overgedragen. Daarbij treffen we de namen aan van Hulsel (Hulislaum), Hapert (Heopurdum) en Eersel (Eresloch). Zo kunnen we de stichting van verscheidene Kempische nederzettingen dateren aan het begin van de achtste eeuw. 

In de bodem en op schrift

Ook dankzij bodemvondsten kunnen we ons een beperkte voorstelling vormen van de ontstaansgeschiedenis van deze Kempische nederzettingen. Want tot ongeveer 700 krijgen de doden grafgiften mee. Een mooi voorbeeld daarvan is de glasbeker uit het Merovingische graf in Bergeijk. Na die tijd wordt het moeilijker. Het christendom doet zijn intrede en dat verbiedt grafgiften, evenals crematies. We zijn dan vooral aangewezen op schriftelijke bronnen: aktes en oorkonden.

De Kempen vormen in de Vroege Middeleeuwen een vochtig gebied dat voortdurend verandert. Woningen liggen er aanvankelijk verspreid in het landschap. Soms blijven de bewoners maar kort op dezelfde plaats. Op sommige  plekken ontstaat een hofstede, zoals Pladella Villa, het domein of landgoed dat waarschijnlijk het begin is van Bladel of Netersel. Reusel (‘Roselo’) ontstaat rond de zevende eeuw uit de kernen de Straat en de Lensheuvel. Bergeijk krijgt in 1173 zijn eerste vermelding als ‘Eicha’ in de goederenlijst van de Sint-Jacobsabdij van Luik.

Tweede leven

Vele eeuwen later, zo vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw, krijgt het rooms-katholicisme (‘het Rijke Roomse Leven’) een overheersende invloed op de Kempische samenleving. Willibrordus begint dan aan een tweede leven. De Middeleeuwse geestelijke (en heilige) wordt vereerd als de apostel van Brabant. Veel kerken en scholen die dan worden gebouwd, krijgen zijn naam mee. Zo kennen Eersel en Riethoven zowel een Willibrorduskerk als een Willibrordusschool. Ook in Casteren is er een Willibrorduskerk. En her en der in de Kempen kunnen Willibrordusstraten en –lanen worden aangetroffen.