Kraspoekol

Een bijzonder Rotterdams boek over het slavernijverleden

Bibliotheek Rotterdam bewaart een zeldzaam boek: Kraspoekol, of De droevige gevolgen van eene te verregaande strengheid jegens de slaaven: zedekundige vertelling. Het werd in 1780 door de Rotterdamse drukker Reinier Arrenberg gedrukt. Wereldwijd is slechts één ander exemplaar van deze editie bekend, dat zich in Amerika bevindt. Een andere editie van de tekst werd in 1780 gedrukt in het toenmalige Batavia. Het boek is een novelle die inzicht biedt in het slavernijverleden.

In 1780 publiceerde de Rotterdammer Willem van Hogendorp (1735-1784) een novelle over te strenge behandeling van slaafgemaakten in Nederlands-Indië. Hij was in dienst van de VOC en bekleedde in Indië verschillende posities. In 1784 keerde hij terug naar de Republiek; zijn schip verging onderweg met man en muis. Van Hogendorps novelle gaat over de situatie op een fictieve buitenplaats. Aanvankelijk zwaait een vrouw genaamd Kraspoekol er tiranniek en zeer gewelddadig de scepter. Tjampakka, slaafgemaakte Indonesische van gegoede afkomst, dreigt op een dag het slachtoffer te worden van zware maar gebruikelijke lijfstraffen. Haar zwager Wedano grijpt in en stelt een ‘redelijker’ regime in. Iedereen is blij, alle slaafgemaakten inclusief. Behalve Kraspoekol: zij voelt zich in haar eer aangetast en zint op wraak. Ze huurt het naburige land en koopt aan aantal slaven om ze daar zo vaak mogelijk zwaar lijfelijk te straffen. Op deze manier probeert ze haar zwager te provoceren. Uiteindelijk pleegt een van de slaafgemaakten een moordaanslag op haar. Ze sterft in de armen van de vrijgelaten Tjampakka. Kraspoekols laatste woorden tonen berouw: ‘Tjampakka....! vergeef my .... myne wreedheid.....! en laaten ...... myne stervende lippen ..... u mogen zegenen!’ Hoewel de wrede Kraspoekol uiteindelijk vergeving vraagt aan één van haar slachtoffers, blijkt toch vooral duidelijk dat op het vermeende anti-slavernijkarakter van deze tekst veel valt af te dingen.

 

Slavernij in de novelle

De auteur maakt in het ‘Voorbericht’ direct duidelijk dat het hem niet te doen is om afschaffing van slavernij. In zijn allereerste zin stelt hij: ‘Myn voorneemen is niet […] iemand in het denkbeeld te brengen, dat de slaaven, te Batavia, in het algemeen, kwaalyk behandeld worden.’ Hieruit blijkt direct dat Hogendorp tegen het slavernijsysteem als zodanig geen fundamentele bezwaren heeft. Hij wil met zijn tekst dan ook slechts een minder wrede behandeling van slaven in Nederlands-Indië betogen. Dat is, zo stelt hij, lang niet overal in Nederlands-Indië een probleem: ‘Maar dit laat niet na, dat er, hier en daar, onder lieden van den derden en vierden rang, eenigen gevonden worden, die te streng over hunne slaaven zyn, en het is voor die weinigen, dat ik dit stukje hebbe opgesteld.’ Hogendorp spreekt hier dus duidelijk niet van misstanden, maar van incidenten. Wel sijpelt tussen de regels door dat er in zijn ogen kennelijk voldoende ‘incidenten’ waren om een novelle aan te wijden. Uit zijn – in onze moderne optiek te – voorzichtige benadering blijkt dat de auteur zich ervan bewust is dat hij een maatschappelijk beladen kwestie agendeert.

De novelle zelf plaatst de tot slaaf gemaakte Tjampakka bovendien blijvend in een onderdanige en afhankelijke positie. Voor haar welbevinden is ze compleet afhankelijk van haar mannelijke eigenaar, voor wie ze veel bewondering heeft. Hoewel Tjampakka zelf als sterke en trotse vrouw wordt neergezet, zijn het niet haar eigen karaktereigenschappen die haar verder brengen. Ze blijft overgeleverd aan de willekeur van haar lotsbestemming. Medelijden bij Wedano zorgt uiteindelijk voor haar vrijlating. Vervolgens ‘vreest’ ze dat ze het huis moet verlaten – ook vrij blijft haar afhankelijkheidspositie in stand. Dit beeld past natuurlijk in de visie van de auteur, die in slavernij als zodanig geen kwaad ziet.

Ook Wedano, hoe inlevend hij aanvankelijk misschien ook mag lijken, blijkt – in onze ogen althans – niet vooruitstrevend, maar eerder conservatief in zijn omgang met slaafgemaakten: ‘Wanneer ik hoor, of zie, zeide hy, dat gylieden niet, willens en weetens, iets verwaarloost of breekt, zal ik u, ten minsten voor de eerste maal, slechts berispen; maar die liegt, steelt, dobbelt, ’s nachts buiten ’s huis loopt, of eenig ander grof kwaad doet, zal streng gestraft, en des anderen daags verkocht worden’. Een eerste ongelukje blijft weliswaar ongestraft, maar Wedano insinueert ook dat bij een tweede ongelukje wel fysiek geweld zal worden gebruikt. Bij ‘ernstiger’ overtredingen van de regels zal sowieso zware lijfstraf volgen, waarna bovendien verkoop zal plaatsvinden.

De beklemmendste zin uit het stuk volgt direct hierna: ‘Allen waren met deeze redelyke voorwaarden te vrede, en vielen, tot bewys van hunne vergenoeging, voor de voeten van hunnen meester.’ Dit tekent het perspectief van Willem van Hogendorp.