Het veer Zwijndrecht-Dordrecht

Trekken aan touwen

Eer er sprake was van de Oude Maas, waren de nederzettingen Suindrecht en Thuredrecht door een ondiep geultje of ‘swin’ van elkaar gescheiden; men kon hier te voet oversteken zonder kopje-onder te gaan. Zware overstromingen in de twaalfde eeuw zorgden ervoor dat dit geultje breder en dieper werd. Rond 1200 was het gedaan met deze vorm van ‘wadlopen’ en kwamen de veerschuiten.

Aan het begin van de vijftiende eeuw heette de Dordtse Dolhuisstraat ‘Swindrechtsche straet’, omdat aan het begin daarvan een steiger was waar de veerschuiten naar Zwijndrecht aanlegden. Later werd de aanlegplaats verplaatst naar een steiger bij de Vuilpoort, de tegenwoordige Bomkade. Daar was meer ruimte voor wagens en vee om aan wal te gaan. In de zeventiende eeuw maakten de veerboten gebruik van een steiger bij de Blauwpoort aan de monding van de Nieuwe Haven, die tot ver in de twintigste eeuw in gebruik zou blijven.

Klantjepik
Als de veerlieden iemand hadden overgezet, wilden ze natuurlijk niet met een lege boot terugvaren. De Dordtse en Zwijndrechtse schuitenvoerders trokken hun hele trukendoos open om elkaars klanten in te pikken, wat soms heftige ruzies tot gevolg had. Dat loste het Dordtse stadsbestuur in 1610 pragmatisch op door te bepalen dat de veerlieden voortaan altijd leeg terug moesten varen. Dat was totaal niet efficiënt, maar het scheelde een hoop gevloek en getier op de kade.

Reepponten
In 1630 werden er reep- of kabelponten in gebruik genomen, die met touwen naar de overkant werden getrokken. Het touw liep op rollen langs de zijkant van de pont, waarmee ze uit het water werd getild. De veerman liep dan met een haak van voor naar achter en trok de pont aan het touw voort. Als er schepen moesten passeren, dan liet hij het touw vieren zodat het naar de bodem kon zinken, waarna hij het weer omhoogtrok.

Groenvrouwen
De groenteverkoopsters uit de Zwijndrechtse Waard hadden privileges. De schuiten-voerders moesten hen bij de stadspoort afzetten, maar ze hoefden hun koopwaar niet de halve stad door te sjouwen. De schuit bracht de waar via de Voorstraathaven naar het centrum om die te lossen waar de verkoopster dat wilde. Vervolgens wachtte hij geduldig tot ze haar handel had verkocht en nam haar weer aan boord voor de terugreis.

Filevorming
Na de komst van de auto nam de drukte op het veer enorm toe. Het verkeer tussen Zuid-en Noord-Nederland liep dan ook geregeld in een door het Dordtse centrum slingerende file vast. Met de opening van de verkeersbrug in 1939 kwam daar een eind aan, maar dat betekende tegelijk dat de middenstand, hotels en pensions rond het Veerplein en het Dordtse Blauwpoortsplein hun klandizie grotendeels kwijtraakten.

Drama
Op 5 oktober 1980 vond er een dramatische gebeurtenis plaats. De voetveerboot Adri vertrok met dertig passagiers van Dordrecht naar Zwijndrecht en kwam in aanvaring met een binnenvaarttanker. Een aantal passagiers sprong overboord. Vijf van hen konden direct worden opgepikt door een boot van de rijkspolitie, die op het moment van het ongeluk in de buurt voer. Anderen stelden zich zwemmend in veiligheid.

Twee binnenvaartschepen die aan de oever lagen afgemeerd, voeren naar de pont, die door de schok van de aanvaring was gekapseisd en ondersteboven dreef. De schepen maakten trossen aan de veerboot vast en slaagden erin om deze naar de Dordtse Bomhaven te slepen. Duikers haalden een aantal mensen levend uit de boot, die in een luchtbel hadden gezeten. Bij het ongeluk kwamen zeven mensen om het leven en raakten er negentien gewond.

Tegenwoordig kan men gebruikmaken van de waterbus om over het water tussen Zwijndrecht en Dordrecht te pendelen.