Ontstaan van het kapittel van Hilvarenbeek

De stichting van het kapittel is van grote betekenis geweest voor de ontwikkeling van Hilvarenbeek. Een kapittel was een college van geestelijken (kanunniken), dat voor de eredienst in de kerk zorgde. Daarnaast gaven de kanunniken onderwijs, en met succes. In de vijftiende eeuw groeide Hilvarenbeek allengs uit tot een religieus en cultureel centrum van formaat. Maar liefst 104 Bekenaren zijn met zekerheid bekend die zijn doorgestroomd naar een academische opleiding in onder meer Leuven.

Het jaar van ontstaan van het belangrijke kapittel van Hilvarenbeek is niet geheel zeker. De Hilvarenbeekse geschiedschrijver P.C. de Brouwer neemt aan dat het kapittel niet stamt van vóór 1157, het jaar waarin de kerk tot kapittelkerk werd verheven. Het ligt dan voor de hand te veronderstellen dat de verheffing van de kerk van Beke tot kapittelkerk samenvalt met de stichting van het kapittel. Aangenomen dat het kapittel in 1157 is ontstaan, is het dan nog verreweg het oudste bekende kapittel van Brabant. De oudste vermelding van het kapittel van Oirschot is van 1216.

Het kapittel is mogelijk ingesteld door de prinsbisschop van Luik, waaronder Hilva-renbeek ressorteerde. Dat past bij de theorie dat het hele gebied van Hilvarenbeek eigendom was van Vrouwe Hildewaris, die er rond 990 de kerk stichtte, en het dorp aan de bisschop geschonken zou hebben.

 

Een kapittel was een seculiere (wereldlijke, niet kloosterlijke) gemeenschap, die bestond uit een proost, een deken en een aantal kanunniken. “Proost” is de benaming van een geestelijk leider van een katholieke organisatie. De deken is de gezaghebber. Kanunniken (canonici) zijn de geestelijken binnen de roomse, anglicaanse en evangelische kerk die deel uitmaken van het kapittel van een kathedraal of andere belangrijke kerk. Ze worden ook domheer, stiftsheer of kapittelheer genoemd.

De priesters van de kerken in het jurisdictiegebied werden aangesteld door het kapittel. Verder had het kapittel de verantwoordelijkheid over het onderwijs en de armenzorg. Misschien wel het meest opmerkelijke van de kapittels was, dat ze niet onder het gezag van de bisschop vielen, maar rechtstreeks onder de paus. Dat geeft aan hoe groot het belang van de kapittels was.

Het jurisdictiegebied van het kapittel van Hilvarenbeek strekte zich uit over de parochies Tilburg en Goirle, Hilvarenbeek en Riel, en Diessen en Casteren. Hier werd door een schenking van Graaf Ansfried het uitgestrekte Lommel aan toegevoegd (zie Circa 990, Hildewaris in Beke. De inkomsten van het kapittel bestonden o.a. uit (delen van) de tienden van deze gebieden. Het kapittel was vrijgesteld van de heerlijke belastingen.

Naarmate de dorpen die onder het kapittel vielen groeiden, breidde het bedrijf van het kapittel uit met de heilige-geestmeesters (armenmeesters), een deurwaarder, een notaris en een rentmeester voor het beheer van de goederen. Het kapittel groeide uit tot het omvangrijkste bedrijf van Hilvarenbeek.

 

In Hilvarenbeek was ook de kapittelschool gevestigd, waar een soort van basis- onderwijs werd gegeven. Voor vervolgonderwijs was men aangewezen op de Latijnse scholen in de steden zoals Den Bosch, en vervolgens aan colleges en universiteiten zoals Leuven, Antwerpen en Leiden. Belangrijke personen en geleerden afkomstig uit Hilvarenbeek, waaronder Johannes Goropius Becanus, zijn hun vorming begonnen in de kapittelschool van Hilvarenbeek.

 

Lees meer

De stichting van het kapittel van Hilvarenbeek staat niet op zichzelf. Ook in Oirschot en Rode (St. Oedenrode) worden in de twaalfde eeuw kapittels ingesteld. Uit schriftelijke vermeldingen vanaf 1216 blijkt dat er op dat moment in Oirschot een kapittel was met Petrus als patroon. Mogelijk had dit kapittel zijn zetel nog in de oude Mariakerk, maar in dezelfde periode werd ook een nieuwe kerk gebouwd aan de rand van de toenmalige dorpskom, de eerste Sint-Petruskerk. Misschien vond de nieuwbouw plaats om de vergelijking met de zetels van de andere twee kapittels in de buurt, die van Hilvarenbeek en van Sint-Oedenrode, te kunnen doorstaan. In 1282 richtte hertog Jan I van Brabant in het kapittel van Oirschot het dekenaat op, wat betekent dat vanaf dat moment een deken aan het hoofd ervan stond. 
Net als met Hilvarenbeek het geval is komt de plaats half onder beheer van de prinsbisschop van Luik, die de heer van Herlaer aanstelt als leenman, en half onder gezag van de hertog.

 

Literatuur

Bas Aarts, “Beika 1155”. In: Tussen Paradijs en Toekomst, nummer 28 (1990), p. 89-97.

Abdij van Tongerlo, charter 7. Het kapittel van St. Pieter te Hilvarenbeek getuigt dat de abdij Tongerlo uit een leen van twee hoeven land te Viersel elk jaar acht stuivers moet betalen aan de ecclesie sancti Petri apud Beke. (Erens, regest 8)

Martien van Asseldonk, “Het ontstaan van de heerlijkheid Hilvarenbeek.”. In: Tussen Paradijs en Toekomst, nummer 109 (2020), p. 17-26.