Hildewaris in Beke

Ontstaan van de kerk in Hilvarenbeek

Gravin Hildewaris, Hereswind of Hilsondis van Strijen, woonachtig in Gilze, bezoekt rond het jaar 990 met haar echtgenoot Graaf Ansfried van Hoei of Teisterband, latere bisschop van Utrecht, haar bezittingen in de omgeving van de Voort, Biest en Beke. Zij schenkt het gehucht Beke de middelen om een stenen kerk te bouwen. Vermoedelijk bestond er lang daarvoor al een houten kapel. Baksteen werd nog niet op grote schaal gebruikt; de eerste kerk is gebouwd van tufsteen, zo is gebleken uit bodemvondsten in en rond de huidige kerk.

In sommige teksten, zelfs nog in een juridisch document uit 1791 over vrijdom van houtschat, wordt gesteld dat Hildewaris eigenaresse van Hilvarenbeek was, en zij zou Hilvarenbeek aan de Prinsbisschop van Luik hebben nagelaten. Dat verklaart dan waarom de bisschop van Luik na het jaar 1000 heer van Hilvarenbeek was.

Hildewaris sticht in 992 het Abdijstaatje Thorn, waar haar dochter de eerste abdis wordt, met de titel prinses van Thorn. De bezittingen op de Voort en Westerwijk en in andere plaatsen gaan over naar de abdij.

Na de dood van Hildewaris schenkt Ansfried het grote gebied Lommel aan de kerk van Hilvarenbeek. De kanunniken van Beek doen hierover in de zeventiende eeuw de volgende mededeling.

 “Toen de gelukzalige Ansfried, graaf van Hoei, van wereldlijk graaf geestelijke was geworden en zijn militaire waardigheid had neergelegd, ging hij volgens zijn gewoonte door het dorp Beek en zag, hoe daar de godsdienst bloeide in de kerk van Beek, die de eerbiedwaardige vrouwe Hildewaris uit haar eigen bezit had gebouwd en naar het voorbeeld van de kerk te Rome [een St. Petruskerk]. Hij schonk toen aan de kerk van Beek zijn dorp Lommel….”

 

De dood van Hildewaris in 995 is in een mythe gehuld. Tijdgenoot bisschop Thietmar van Merseburg (975 – 1018) verhaalt in zijn kroniek:

Toen gebeurde het dat de edele vrouwe Hereswind, de verheven gemalin van Ansfried, op haar hof Gilze genaamd ziek werd. Toen zij de voortekenen van haar naderende dood bespeurde, wilde ze snel doorreizen naar Thorn. Maar door hevige pijnaanvallen getroffen kon zij dit niet meer bereiken, en haar reis eindigde onderweg in het huis van een meier. Deze bezat, zoals hij mij zelf vertelde nogal wilde honden, die zo blaften dat de zieke er last van had. Toen de eigenaar dat merkte, was hij op haar verzoek onmiddellijk bereid de dieren op te sluiten, in het uiterste geval zelfs te doden. Maar opsluiten noch doden lukte hem, tot ineens op wonderbare wijze de dieren ophielden met lawaai maken totdat de heilige vrouwe in vrede ontslapen was. De graaf van de vrome eenvoud [Ansfried] begroef haar in de crypte van het klooster, dat hun gemeenschappelijk werk was …..

Het oord waar Hildewaris overleed is vermoedelijk Beek geweest. Opmerkelijk is dat Beek vanaf begin veertiende eeuw “Beke sancte Hildewardis” of “Beke der heyliger Hildevardi” genoemd wordt. Maar zij overleed niet in het dorp dat pas na de tiende eeuw gegroeid is. De bezittingen van Hildewaris in deze omgeving lagen op Groot Westerwijk, Voort en de Biest. Het huis van de meier zou de Burgstad geweest kunnen zijn – het omwaterde huis op Slibbroek – of de mythische Kruishoeve op Groot Westerwijk, of het “Oude Huis” in Beek dat genoemd wordt in een oorkonde van het kapittel uit 1310 (Camps 810).

 

Lees meer

Het abdijstaatje Thorn is rond 995 overgegaan naar de Prinsbisschop van Luik. Asseldonk poneert dat de bisschop van Luik ook een domein in Hilvarenbeek met een eigen kerk heeft overgenomen van Hildewaris of van haar opvolger. De prinsbisschop werd hiermee de heer van Beke lang voordat een hertog van Brabant op het toneel verschijnt.

Zo nu en dan duikt er een artikel op waarin betwijfeld wordt of er een Gravin Hildewaris, Hereswind of Hilsondis van Strijen bestaan heeft, c.q. of Hildewaris gravin van Strijen was. Dat is merkwaardig want er zijn diverse betrouwbare oude bronnen waarin dat vermeld wordt. Doorgaans wordt daarbij verwezen naar de schenkings- akte waarin Hilsondis het allodiale goed Strijen, haar geschonken door koning Zwendebolg, noemt: “Ecclesiam allodium meum, quod in terra mea de Stryen gloriosus Rex Zuendebolchu olim perdonaverat”. Augustinus Wichmans, deken van Hilvarenbeek en later abt van Tongerloo, beschrijft deze akte uitvoerig in zijn Brabantia Mariana, boek 2. Hoofdstuk 60, en noemt die “Diploma Hilsundis Comitisse Striensis”.

 

Literatuur

Martien Asseldonk, “Het ontstaan van de heerlijkheid Hilvarenbeek”. In: Tussen Paradijs en Toekomst nr. 109 (2020), 17-26

Bas Aarts, “Hildewaris, wie van de twee”. In  Tussen Paradijs en Toekomst nr. 76 (2008), p. 28-33

Camps, H.P.H., ed., Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312. I De Meierij van 's-Hertogenbosch (met de heer­lijk­heid Gemert). Den Haag, 1979.

A.F. Wichmans, Brabantia Mariana, 1632, p. 433. BHIC toegangsnummer 1142, inv.nummer K288

 

Hedendaagse bron bij “Beke sancte Hildewardis” of “Beke der heyliger Hildevardi”:

Frenken, A.M., Documenten betreffende de kapittels van Hilvarenbeek, Sint-Oedenrode en Oirschot. ’s-Hertogenbosch, Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant, 1956. (p. 88, noot 4)

 

Hedendaagse bron m.bt. Thietmar:

Chronik von Thietmar von Merseburg. Neu übertragen und erläutert von Werner Trillmich. Berlin: Rütten & Löning, Ausgewählte Quellen zur Deutschen Geschichte des Mittelalters, Band 9. 1957 / 1960. XXXII + 516 p