Tijd van steden en staten

Huiskerk

Venster 27: Geschreven door Bernadette Verhoef

In de tijd van de republiek der Verenigde Nederlanden zochten katholieken, maar ook remonstranten, lutheranen en doopsgezinden vanaf 1581 hun toevlucht in schuilkerken. Katholieke kerkelijke goederen, inclusief de kerken waren onteigend. Elke Nederlander was wel vrij in het belijden van zijn geloof. In die zin, en zeker in vergelijking met andere landen in die tijd, was de Gouden Eeuw een eeuw van tolerantie. Wel was het zo dat de uitoefening van de niet-gereformeerde godsdienst niet publiek mocht gebeuren.
In steden kwam men dan ook vooral in huizen en pakhuizen bij elkaar, op het platteland kerkte men meestal in schuren, vandaar de naam schuurkerk

Opnieuw beginnen (Zie afbeeldingen 27.1. en 27.2.)

In Rijnwoude waren de drie rooms-katholieke kerken in protestante handen overgegaan. Aan de Rijndijk was zowel in de Groenendijk in de kelder van boerderij ‘De Steenenpoort’ als op de zolder van een boerderij nabij de latere Zwaantjeskerk een schuilkerk. Deze werden eerst oogluikend toegestaan. Later kon men tegen betaling van een aanzienlijke som geld een officiële vergunning krijgen, mits het gebouw niet als kerk herkenbaar was. Zo betaalde men aan de Rijndijk in de 18e eeuw jaarlijks 200 gulden aan de baljuw opdat hij de ‘paepsche stoutigheden’ door de vingers zou zien.

In Koudekerk woonde aan het begin van de 17e eeuw priester Melchior op Groot-Poelgeest. Hij stond onder de bescherming van de rooms-katholieke kasteelheer en bediende vanuit daar de omgeving.

Nederland was na de reformatie een missiegebied geworden. Hierbinnen werd gesproken van staties. In vergelijking met een parochie hadden deze geen vastomlijnde grenzen. Deze situatie zou tot het herstel van de kerkelijke hiërarchie in 1853 voortduren.

Het gebied van Leiden tot Alphen behoorde tot dezelfde statie. Opvallend is dat de Rijn als scheidslijn fungeerde: ten noorden is men overwegend protestant geworden en ten zuiden is men voornamelijk rooms-katholiek gebleven. Zoeterwoude-Dorp en Hazerswoude-Dorp zijn echter min of meer gemengd geworden. De schuilkerken werden bediend door rondreizende priesters. In hoeverre heeft de (Hoge) Rijndijk bij de scheiding een rol gespeeld? De Rijndijk was niet meer dan een karrenpad maar aan de Koudekerkse kant van de Rijn liepen, tot de komst van de trekschuit en het jaagpad, veel percelen door tot aan de Rijn en was er geen verbindingsweg.

Hoe dan ook, aan het begin van de 18e eeuw stond er in ’t Zwaantje weer een echt kerkgebouw, gewijd aan St. Michaël. Net als de voormalige kerk in Hazerswoude-Dorp was. Deze bediende de rooms-katholieken tussen Leiden en Alphen: Hazerswoude-Rijndijk en -Dorp, Zoeterwoude-Rijndijk, Leiderdorp, Koudekerk, Oudshoorn en het Alphense buurtschap de Hoorn. Waarschijnlijk was het Gerardus de Rotte (aan de Rijndijk van 1705-1738) die de bouwpastoor was. De kerk was ook gewijd aan de aartsengel Michaël, net als de kerk in de middeleeuwen. In 1726 telde de statie 570 communicanten: mensen ouder dan 12 jaar die met Pasen ter communie gingen.

Al voor die tijd had Ernestus Schadé in 1671 een kapel in de Groendijk gesticht, waar hij ook van 1671 tot 1678 woonde. Deze kapel stond naast de huidige kerk waar het kerkhof lag.

Vrijheid, gelijkheid en broederschap (Zie afbeelding 27.3.)

De Franse Revolutie bracht de rooms-katholieken, maar formeel ook de andere protestantse niet-gereformeerden, in Nederland vrijheid van godsdienst. Rooms-katholieken wilden een eigen pastoor in het dorp. In 1795 scheidden de rooms-katholieken van Alphen zich af van Aarlanderveen. Bij de stichting van de nieuwe statie ontstonden er geschillen over de grenzen zoals met die van de statie aan de Rijndijk.

Op 24 april 1796 verzochten de rooms-katholieken in Hazerswoude-Dorp de aartspriester om een eigen pastoor. Ary Boskooper en Lauwerens de Zwart kochten voor 675 gulden de gesloten, bouwvallige kerk van de Doopsgezinde Gemeente, inclusief de pastorie. De kerk werd klaargemaakt voor de rooms-katholieke eredienst en kon op 5 september 1797 gewijd worden. Patroon van de kerk werden de heilige Engelbewaarders. Zo werd de band met de middeleeuwse behouden. In Benthuizen woonden in die tijd nauwelijks rooms-katholieken. Zij hadden geen eigen kerk en behoorden kerkelijk gezien onder Hazerswoude-Dorp.

(Zie afbeelding 27.4.)

In de Grondwet van 1813 was geregeld dat de Staat bouw en restauratie van kerken zou meefinancieren. Daar trokken de Hazerswoudse pastoors profijt van. In 1818 kreeg de kapel van de Groenendijk een verblijf voor de pastoor en de koster. De achter zitkamer en de keuken vormden één geheel met de kapel. Er werd een toren gebouwd met daarop een scheepje. Deze verwijst naar St. Nicolaas aan wie de kerk gewijd was, de beschermheilige van de schippers. In de kerk lagen rieten matten en op het dak lagen blauwe pannen.

In 1839 werd de Statie van den Rijndijk gesplitst: er ontstonden twee zelfstandige staties: Koudekerk, in de Oostbuurt van Hazerswoude, de H. Michaël, en Leiderdorp, in de Westbuurt van Hazerswoude Groenendijk. De namen Koudekerk en Leiderdorp verwijzen naar de oude middeleeuwse staties. De St. Nicolaaskerk werd omgedoopt tot St. Benarduskerk. De eerste pastoor was Bernardus Wesselingh. Hij liet in 1855 een nieuwe kerk bouwen. Lang heeft hij daar niet van vertrokken. In 1856 werd hij opgevolgd door pastoor Bosmans, een ongeschoeide karmeliet. Priesters van die orde zouden anderhalve eeuw lang de Groenendijk bedienen.

Geld spreekt.

De Statie Leiderdorp omvatte de Groenendijk, Zoeterwoude-Rijndijk en Leiderdorp. Het was de bedoeling dat de nieuwe kerk op de grens van Zoeterwoude en Hazerswoude gebouwd zou worden. De boeren aan de Achthovenerweg en de Rijndijk wisten echter 15.000 gulden bij elkaar te brengen in tegenstelling tot de 1500 gulden die de daggelders en arbeiders in Zoeterwoude en Leiderdorp hadden bijeengebracht. Na veel gedoe werd de kerk daar gebouwd waar het geld rolde: naast de kapel in de Groenendijk. Een jaar later werd in Leiden de kerk aan het Utrechtse Veer opgeheven. De pastoor van daar, Sarot, werd pastoor van Zoeterwoude-Rijndijk en Leiderdorp en kapelaan Bosmans werd pastoor in de Groenendijk. Ter compensatie van het verlies van de Leidse statie mocht Sarot een kerkje in Zoeterwoude-Rijndijk bouwen.

Inmiddels waren de kerken aan de Rijndijk en in Hazerswoude-Dorp ook bouwvallig geworden.

In 1871 liet pastoor Van de Laar een nieuwe kerk naast de oude bouwen. In Hazerswoude-Dorp werd door pastoor Van Zon in 1881 een nieuw godshuis gebouwd.

Katholieke geitenfokvereniging (Zie afbeelding 27.5.)

Rooms-katholiek zijn, was meer dan op zondag naar de kerk gaan. Het hele leven droeg een rooms-katholiek stempel. Kinderen gingen naar ene rooms-katholieke school. In het Dorp was er al een in 1869, de St. Michaëlschool. Aan de Rijndijk werd in 1900 de St. Liduina, de latere O.L.V. van Banneux gebouwd en zes jaar later de St. Jozefschool in de Groenendijk. Beide waren zusterscholen. De schaarse vrije tijd werd gevuld met activiteiten die vanuit de kerk georganiseerd werden. De parochies hadden alle drie een eigen toneelvereniging. In de jaren ’60 kwam er geleidelijk aan een einde aan de verzuiling.

Terug naar de situatie van weleer (Zie afbeelding 27.6.)

Inmiddels worden de parochies weer groter en groter omdat het aantal priesters afneemt evenals het aantal gelovigen. In 1968 werden de parochies H. Michael en H. Bernardus samengevoegd. In de nieuwbouwwijk Rhynenburch werd in 1977 een nieuwe kerk, Het Anker, gebouwd. In 2002 werden de parochies van de H.H. Engelbewaarders en de H. Michaël en H. Bernardus samengevoegd. In 2006 ontstond de parochiefederatie De Wijngaard met de Alphense parochies, de Emmausgangers. Sinds 2011 behoren rooms-katholieken uit Koudekerk, Hazerswoude, Benthuizen en Alphen tot de H. Thomasparochie.

Inmiddels is Het Anker niet langer in gebruik als kerk.