Tijd van steden en staten

Protestanten uit elkaar

Venster 26: Geschreven door Arjan van't Riet

Na de reformatie lijkt het voor de oppervlakkige beschouwer duidelijk; in plaats van één kerk waren er nu twee: de rooms-katholieke kerk, die in de Republiek formeel niet was toegestaan, en de Gereformeerde kerk, de kerk van de Calvinisten, die door de overheid werd bevoorrecht. Toch was de dagelijkse praktijk in de Republiek wat genuanceerder, zeker voor wat betreft de protestantse kerken. Overigens is het goed om te weten dat de Gereformeerde kerk, zoals die in de 16e eeuw ontstond niet als enige ontstaan is uit de reformatiebeweging. Naast de Gereformeerde kerk ontstonden in Nederland Lutherse gemeenten en de beweging van de Doopsgezinden. Het geldt als bijzonderheid dat in Hazerswoude een Doopsgezinde kerk heeft bestaan, de enige die in Rijnland bestond. Over de geschiedenis van deze kerk is niet veel bekend. Wel is zeker dat de Doopsgezinde gemeenschap van Hazerswoude al voor 1800 niet meer bestond.

Gereformeerde kerk (Zie afbeelding 26.1.)

De Gereformeerde kerk kreeg in de Nederlanden echter de meeste aanhang. In bijna elk Hollands dorp had de reformatie gevolgen. De pastoors werden weggestuurd en hun plaatsen werden ingenomen door predikanten. Ook de inwoners van Benthuizen, Hazerswoude en Koudekerk hebben deze omwenteling meegemaakt. Het betekende niet dat hiermee iedereen gereformeerd werd. Ten tijde van de Republiek waren de inwoners van de gewesten vrij in het belijden van hun godsdienst. Wel was de Gereformeerde godsdienst bevoorrecht. Dat wil onder meer zeggen dat de gereformeerden de beschikking hadden over de kerkgebouwen, waar oorspronkelijk de rooms-katholieke eredienst was uitgeoefend. Bovendien was het in de tijd van de Republiek zo, dat je gereformeerd moest zijn om in aanmerking te komen voor een overheidsfunctie. De rooms-katholieke godsdienst werd echter niet verboden, evenmin was het verboden om luthers of doopsgezind te zijn. Wel moest de uitoefening van die godsdiensten buiten de openbaarheid gebeuren, met als gevolg dat er de nodige schuilkerkjes van deze stromingen verrezen.

Remonstranten

De Gereformeerde kerk was evenmin één als het ging om de leer. Met name over de predestinatie, de leer van de voorbeschikking (wie werd behouden en wie niet), werd hevig gediscussieerd. In eerste instantie was de kwestie voer voor theologen. Twee Leidse hoogleraren, Gomarus en Arminius, waren het met elkaar oneens over de zaak en beiden kregen ze volgelingen. Het conflict was geboren. In 1610 stelden veertig predikanten een geschrift op dat ze hun ‘Remonstrantie’ (= vertoog) noemden en waarin ze hun bezwaren uitten tegen de strikte uitleg van de Calvinisten. Uiteindelijk kreeg de kwestie een politieke lading toen hun belangrijkste medestander Johan van Oldenbarnevelt het geschrift in de Staten bracht. Prins Maurits koos de kant van de andere partij, de contraremonstranten. Uiteindelijk werd in de Synode van Dordrecht van 1618/1619 de leer van de Remonstranten veroordeeld. Ze werden uit de Gereformeerde kerk gezet en stichtten hun eigen kerken. Ook in Hazerswoude ontstond een Remonstrantse gemeente, die al in 1632 wordt vermeld en waarvan bekend is dat ze in het bezit waren van ‘een schoone kerk, … die meede van alle nodige vereischtens voorzien is’.

De Afscheiding (Zie afbeelding 26.2.)

In de Franse Tijd, de periode van vrijheid, gelijkheid en broederschap, werd de vrijheid van godsdienst en ook de openbare uitoefening daarvan een recht. Dat bleef zo toen de Fransen vertrokken in 1813. In de periode van het Koninkrijk gebeurde er echter wel iets anders. De naam Gereformeerde kerk werd veranderd in Nederlandse Hervormde Kerk (de landelijke kerk), die bestond uit de plaatselijke Hervormde gemeenten. De overheid stelde voor die kerk een reglement vast. Het is één van de oorzaken geweest van het ontstaan van afsplitsingen. Binnen de Hervormde kerk ontstond vanaf het eerste kwart van de 19e eeuw discussie over de leervrijheid. Binnen de kerk ontstonden moderne stromingen en er ontstonden discussies tussen de orthodoxen, die vasthielden aan de oude belijdenisgeschriften, en degenen die meer vrijheid wensten.

Uiteindelijk leidde het er toe dat in 1834 verschillende predikanten zich afscheidden van de Nederlandse Hervormde Kerk. De afgescheidenen werden door de overheid vervolgd. Voorgangers en volgelingen werden zelfs gearresteerd en kregen boeten opgelegd. Binnen de beweging van de afscheiding zijn verschillende groepen te onderscheiden op grond van hun naam. De afgescheidenen wilden de oude naam Gereformeerd behouden om op die manier kenbaar te maken dat zij de ‘afstammelingen’ waren van de oude Gereformeerde kerk van de reformatie. De regering wilde de afgescheiden groepen echter alleen erkennen als zij de naam Christelijke Afgescheiden Gemeente aanvaardden. Een deel van de afgescheidenen deed dat. Het andere deel weigerde dit en noemde zich Gereformeerde gemeente onder het kruis, kortweg de Kruisgemeenten. In 1869 gingen beide groepen samen en kozen ze voor de naam Christelijke Gereformeerde Kerk.

In Hazerswoude-Dorp heeft van 1864-1869 zo’n Kruisgemeente bestaan onder leiding van de predikant J.W.A. Notten, die in 1868 naar Middelharnis vertrok. In 1869 werd de Hazerswoudse Kruisgemeente een Christelijke Gereformeerde Gemeente.

De Doleantie; weer een kerk erbij (Zie afbeelding 26.3.)

Een tweede geschil in de Nederlandse Hervormde Kerk leidde tot een afsplitsing die de naam Doleantie kreeg. Deze beweging stond onder leiding van de Amsterdamse ouderling Dr. Abraham Kuyper. In Koudekerk ontstond daardoor in januari 1888 een Nederduitsch-Gereformeerde kerk.

Daarmee bestonden er in Nederland twee orthodoxe stromingen die zich van de Nederlandse Hervormde Kerk hadden afgesplitst; de kerken afkomstig uit de beweging van de Afscheiding van die afkomstig uit de Doleantie. In 1892 werden deze groepen samengevoegd tot de Gereformeerde Kerken in Nederland. Enkele gemeenten bleven buiten deze samenvoeging, maar Hazerswoude en Koudekerk traden toe tot dit nieuwe kerkverband. De Gereformeerde kerk van Benthuizen is nog  jong. Deze kerk ontstond in september 1987.

De prediking van ds. Ledeboer (Zie afbeelding 26.4.)

Een bijzondere kerk met wortels in de Afscheiding zijn de Oud-Gereformeerde gemeenten in Nederland. Ze zijn ontstaan uit de arbeid van ds. L.G.C. Ledeboer in Benthuizen, die predikant was bij de Hervormde gemeente in Benthuizen. Hij kwam met de kerk in conflict en in 1840 begroef hij de Reglementenbundel en het Gezangenboek in zijn tuin. In 1841 werd hij afgezet en stichtte hij op allerlei plaatsen gemeenten. Bij de samenvoeging van deze gemeenten met de Kruisgemeenten ontstonden de Gereformeerde gemeenten in Nederland en Noord-Amerika. Er bleef een kleine groep afzijdig, die de naam Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland bleef voeren. Van beide groepen bestaan in Benthuizen op dit moment kerkgemeenschappen.

Weer samen ? (Zie afbeelding 26.5.)

Kerkgemeenschappen hebben blijkbaar vaker de neiging uit elkaar te gaan, dan tot elkaar te komen. In 1961 kwam een proces op gang waarin samenwerking tussen Hervormde gemeenten en Gereformeerde kerken (van 1892) werd gezocht. Uiteindelijk leidde dat in de 21e eeuw tot de PKN (Protestantse kerk in Nederland), waardoor een aantal kerkelijke gemeenten zijn gefuseerd. Andere kerkelijke gemeenten werden wel onderdeel van de PKN, maar bleven plaatselijk zelfstandig en gebruiken de naam Hervormde gemeente of Gereformeerde kerk. Een definitief samengaan van andere afsplitsingen is vooralsnog niet aan de orde.