Tijd van pruiken en revoluties

Revolutie in het klein

Venster 22: Geschreven door Arjen van't Riet.

Geïnspireerd door verlichtingsfilosofen en de Amerikaanse Onafhankelijksoorlog (1775-1783) kregen moderne politieke idealen ook in de Republiek der Verenigde Nederlanden steeds meer aanhangers. De patriotten streefden vanaf 1780 naar een nieuw staatsbestel waarin de opkomende burgerklasse een belangrijke rol zou krijgen. Daartoe moest een eind gemaakt worden aan het regentenbewind van stadhouder Willem V.

Hop Marjanneke

In januari 1795 trokken legers van het revolutionaire Frankrijk de bevroren grote rivieren over. Utrecht viel op 16 januari en Amsterdam drie dagen later. Op zondag 18 januari vluchtte stadhouder Willem V naar Engeland en weer een paar dagen later was de Bataafse Republiek een feit. De Franse troepen werden als bevrijders ingehaald. In de dorpen en steden ontstonden revolutionaire comités die de macht overnamen. De revolutie bracht in veel gevallen nieuwe namen en nieuwe gezichten in de bestuurscolleges. De revolutionaire comités werden aangestuurd door het Comité Revolutionair in Amsterdam dat vertegenwoordigers naar alle plaatsen uitzond om personen in de lokale besturen te plaatsen die de revolutie gunstig gezind waren. De Bataafse revolutie voltrok zich opmerkelijk rustig. Na de revolutie stond de wil van het volk centraal.

Hop Marjanneke, stroop in het kanneke, laat de poppetjes dansen. Gister was er de prins in ’t land en nu die kale Fransen.

Dit kinderliedje dateert uit het begin van de 18e eeuw. Marjanneke verwijst naar het symbool van Frankrijk: de maagd Marianne. De poppetjes verwijzen mogelijk naar de Franse soldaten of de prinsgezinden. De Prins is de gevluchte stadhouder Willem V. De Fransen waren kaal: arm en zonder spullen maar vooral zonder pruik. Die was het symbool voor de periode voor de Franse Revolutie in 1789.

Het oude bewind verjaagd (Zie afbeelding 22.1.)

Ook in Benthuizen vond in 1795 een revolutie plaats, maar ook daar voltrok die zich rustig. Namens het Comité Revolutionair werd J.A. Prijn, die uit Leidschendam afkomstig was, naar Benthuizen gezonden. Prijn wendde zich in eerste instantie tot de predikant R. Keer aan wie hij het plan tot verandering van het bestuur voorlegde. Op zijn beurt schoof Keer het plan door naar de schout Pieter Gerard Mess. Die was per slot van rekening, als waarnemer van de ambachtsheer, het hoogste gezag in het dorp. Mess riep het ambachtsbestuur bijeen en dat bleek bereid hun functie neer te leggen om plaats te maken voor opvolgers. Ze waren overigens wel bereid om een functie in het vernieuwde bestuur te aanvaarden. De bijeengeroepen dorpelingen kregen daarna van de schout te horen wat er was gebeurd. Mess stelde voor een commissie te benoemen die de verkiezing van een nieuw dorpsbestuur moest voorbereiden. Als leden van deze commissie stelde Mess voor Teunis van der Knijff, Isaac Moutton, Nicolaas Soek, Christoffel Roos en Jan van Halewijn. De dorpelingen waren het hiermee eens, zij het dat bij acclamatie ds. Keer aan de commissie werd toegevoegd. In het nieuwe bestuur keerden vervolgens vrijwel alle afgetreden dorpsbestuurders terug. Hieruit blijkt dat, zoals in veel plaatsen het geval was, de oude bestuurders geen bezwaren hadden tegen vernieuwingen. Het motto ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’ sprak iedereen aan en ook in Benthuizen werd een vrijheidsboom geplant als teken van het verjaagde oude bewind. Overigens werd de boom later verplaatst, omdat de oorspronkelijke plaats onpraktisch bleek te zijn.

Trek een lootje (Zie afbeelding 22.2.)

Maar, wat in 1795 begon als vrijheid, bleek in de jaren daarna toch ook wat minder plezierige kanten te hebben. Het verblijf van het Franse bevrijdingsleger kostte geld en toen Nederland betrokken werd in Franse oorlogen en ging lijden onder de nadelige gevolgen daarvan, bleek de vrijheid duur betaald te moeten worden. De economie leed onder de Britse blokkade die de overzeese handel stillegde. Ook binnen het bestuur van de Bataafse Republiek bleef het onrustig. Zo vonden er in 1798 en 1801 staatsgrepen plaats. In 1806 werd de Bataafse Republiek vervangen door het Koninkrijk Holland met koning Lodewijk Napoleon Bonaparte en vanaf 1810 was het ingelijfd bij Frankrijk. De blijvende economische problemen en de telkens blijkende afhankelijkheid wekten verlangen naar herstel van de onafhankelijkheid. Een terugkeer naar de oude situatie was niet gewenst. Inmiddels was een brede aanvaarding ontstaan van de eenheidsstaat met een modernisering van het bestuur, wetgeving belastingheffing en onderwijs.

Met dank aan (Zie afbeelding 22.3.)

Nadat keizer Napoleon definitief was verslagen kon de onafhankelijkheid worden hersteld. In december 1813 werd erfprins Willem, zoon van de gevluchte stadhouder Willem V uitgeroepen tot soeverein vorst. De herstelde onafhankelijkheid leidde nauwelijks tot veranderingen in de dorpsbesturen. Politieke afrekening tussen de voormalige voor- en tegenstanders van de revolutie vond niet plaats. De roep om veranderingen, die in 1795 tot de revolutionaire daden leidden, bleek stand te houden. Veel maatregelen die tussen 1795 en 1813 waren ingevoerd werden niet teruggedraaid. Zo hebben we nog steeds standaardmaten als de kilo en de meter. Sommige nieuwe maatregelen werden zelfs verder uitgebouwd en bleven bestaan tot de huidige dag. De militaire dienstplicht, die in de Franse Tijd werd ingevoerd, was vooral in de tijd dat de dienstplichtigen in het leger van Napoleon naar Rusland werden gestuurd, zeer gehaat. Toch bleef het systeem, waarbij in principe iedere jongeman voor de dienstplicht werd ingeschreven, ook na 1813 gehandhaafd. Voor een eerlijke belastingheffing was in de Franse Tijd een begin gemaakt met de vorming van het kadaster. Elk perceel grond werd opgemeten en gewaardeerd en bovendien werd de eigenaar van het perceel geregistreerd. Hoewel de invoering pas zo’n twintig jaar na het vertrek van de Fransen een feit was, heeft het dus duidelijk Franse wortels. Ook bouwt de huidige bevolkingsregistratie voort op het fundament dat in de Franse Tijd werd gelegd. Volkstellingen zijn er altijd geweest, en ook de registratie van doop, huwelijk en begraven dateert al uit de periode van de middeleeuwen. Maar nieuw was de centrale registratie. Van elke geboorte en van elk overlijden moest bij de burgerlijke gemeente aangifte worden gedaan. Het sluiten van een wettelijk huwelijk, dat voor die tijd ook mogelijk was in een Gereformeerde kerk, werd voortaan voorbehouden aan de burgerlijke overheid. Bovendien moesten personen die nog geen familienaam hadden er een aannemen. In het westen van het land was het gebruik van familienamen echter al ingeburgerd zodat er in Benthuizen, Hazerswoude en Koudekerk geen registers van naamsaanneming zijn aangelegd. Koudekerk begon met het aanleggen van registers van de burgerlijke stand in april 1811.

De gemeente Hazerswoude volgde een jaar later. Op 6 maart 1812 werd de geboorte ingeschreven van Johannes Buiteweg, die een dag eerder geboren was. Dat men ook nog moest wennen aan de verplichte standaardisering van de achternaam blijkt uit deze akte. De ambtenaar schreef de familienaam als ‘Buiteweg’, terwijl de vader de akte ondertekende met de naam ‘Buijteweg’.

Toen al een fusie (Zie afbeelding 22.4.)

Voor alle dorpen was tenslotte de Staatsregeling van 1798 van belang waarin de scheiding van Kerk en Staat geregeld werd en waarbij het eigendomsrecht van de kerktorens overging naar de burgerlijke gemeente, oftewel in termen van die tijd, de Municipaliteit.

Ver vooruit was de samenvoeging van Hazerswoude Benthuizen en Benthorn, die in 1811 plaatsvond. De nieuwe gemeente kreeg de naam Hazerswoude. In 1817 werd Benthuizen echter weer zelfstandig en een nieuwe samenvoeging met Hazerswoude zou hierna zo’n 175 jaar op zich laten wachten. Koudekerk vormde tussen 1812 en 1817 één gemeente met Hoogmade.