1800

Boter, kaas en aardappelen

Venster 25: Geschreven door Mariëlle Kerkvliet.

In de 16e en 17e eeuw waren de boeren hier voornamelijk akkerbouwers. De rivierklei en de oude zeeklei van de afgegraven polders leenden zich goed voor akker- en tuinbouw. Boeren verbouwden gewassen voor zichzelf en voor de omliggende steden. De vraag bepaalde de keuze van de gewassen: van vlas werd linnen geweven, hennep was nodig voor (scheeps-)touw, zeildoek en visnetten. Oliehoudende zaden als lijn-, kool- en raapzaad voorzagen in de behoefte aan olie voor lampen en zeep in de keuken. Koeien werden voornamelijk gehouden om de mest.
In de eeuwen daaropvolgend veranderde de keuze in gewassen: aardappelen vervingen vlas, dalende graanprijzen aan het einde van de 19e eeuw deden boeren kiezen voor voeder- en suikerbieten, peulvruchten en spruiten. Ook kozen meer boeren voor de veeteelt.
Koeien en schapen waren in het Groene Hart de belangrijkste weidedieren. Wie het zich kon veroorloven had een paard voor de trekkracht of om de karnmolen aan te drijven.
Steeds meer boerinnen maakten boter en kaas en dat deed het aantal varkens toenemen. Deze aten de restproducten van de boter- en de kaasbereiding en leverden mest en vlees.

Boerderij met zomerhuis 

(Zie afbeeldingen 1 en 2.)

Rijnwoude kent tientallen boerderijen, eeuwenoude en moderne. Wat onderscheidt een boerderij van een  burgerhuis? Welke vertrekken zijn er in een oude boerderij?

Deze boerderij aan de Zuiddijk in Hazerswoude-Dorp was sinds 1916 in de familie Kerkvliet. Het  is van het Rijnlandse type: een boerderij met apart zomerhuis verbonden door een overloop. Laten we naar binnen gaan door één van de zeventien buitendeuren.

We beginnen links, lopen vier treden omhoog en gebruiken de klopper om ons bezoek aan te kondigen. We staan in de gang van het voorhuis. Rechts de voorkamer, links een trapje omhoog naar de opkamer en de alkoof. Daaronder ligt de kelder. Aan het einde van de gang rechts de slaapkamer voor de ouders. Links ook de trap naar de zolder. We komen nu in het achterhuis met zijn diverse deuren: naar de douche, de kelder, het erf, de wc, de stal en de overloop. We gaan door de staldeur en komen in de ‘Hollandse stal’ waar de koeien met de koppen naar elkaar toe staan. In het midden de deel en daarachter de grup. Verderop is de dorsvloer met de paardenstal.

We lopen terug naar de gang en gaan de trap op naar de zolder: op de voorzolder waren de slaapkamertjes, het rookkanaal en stokken om de was te drogen. De achterzolder was voor hooi dat via een luik op de deel gegooid kon worden.

Tot het voorjaar werd in het voorhuis gewoond. Er stond een antracietkachel en een tafel en stoelen. Er hing vitrage maar er waren geen overgordijnen nodig omdat ’s avonds de luiken (blinden) buiten dichtgingen.

(Zie afbeeldingen 3 en 4.)

Terug naar het achterhuis. Via de overloop komen we in het zomerhuis, daarachter is de karnmolen, het boenhok met het waterfornuis en de stoepsloot. In het boenhok werden de kaasvaten en de melkspullen schoongemaakt, je ging er vroeger in de teil en de was werd er gedaan. Hier werd ook geslacht.

In het voorjaar, als de koeien naar buiten gingen en de stal schoon was, verhuisde het gezin naar het zomerhuis. De voor- en opkamer werden schoongemaakt en niet meer gebruikt.

In het zomerhuis lag een vloerkleed op de houten vloer onder de tafel en stoelen. Er stond een naaimachine, een dressoir en er was een bedstee. In de winter stonden de kaasspullen in het zomerhuis. Zodra de stal schoongemaakt was verhuisden de kaasspullen daar naar toe. De kaasplanken werden met touwen aan het plafond vastgemaakt, zodat de muizen er niet bij konden.

Als de koeien een week buiten liepen (dus gekalfd hadden) werd de eerste kaas gemaakt. Twee keer per dag, de hele zomer door.

Hier en daar vind je in het landschap nog zogenaamde ‘pestbosjes’. Hier zijn koeien begraven die de pest hadden of gestorven zijn aan miltvuur. Het gat werd dichtgegooid en afgedekt met ongebluste kalk. Erop werden bomen geplant. Handig voor de boer, die de takken voor allerlei zaken, zoals hekken, palen en stelen voor gereedschap kon gebruiken. De bosjes worden daarom ook geriefhoutbosjes genoemd.

Voor het kaasmaken was warm water voor nodig. Het fornuis brandde op hout: ook daarvoor waren de takken van de wilgenbomen van het pestbosje nuttig,

(Zie afbeelding 5.)

Veel boerderijen hebben een boomgaard naast de gebouwen. Die kan voor verschillende doeleinden aangelegd zijn. Bomen breken de wind, het kleedt de boerderij aan en zo is er eigen fruit en hout voor de kachel. Om de boomgaard heen stond meestal een singel van wilgenbomen, essen, vlier en meidoorn. In de boomgaard werden hoogstamfruitbomen geplant. Je vond er een breed assortiment van rassen, zodat er lang en veel fruit was. Veel voorkomende appelsoorten waren de Notarisappel, de Groninger kroon, de Glorie van Holland, de Brabantse bellefleur, de Goudrenet en de Schone van Boskoop. Ook zoete appeltjes ontbraken niet. Gedroogd waren ze lang houdbaar. De suikerpeer en de Claps favorite zijn vroege perensoorten, de Conference en de Legipont zijn lekkere handperen en de louwtjespeer, kleipeer en Gieser Wildeman stoofpeertjes. In grotere boomgaarden vond je ook pruimen- en kersenbomen. Soms een mispel. Deze vrucht is het lekkerst na een paar nachtvorsten. Ze worden dan ‘rot’.

In veel boomgaarden zie je in het vroege voorjaar een deken van sneeuwklokjes. Die groeien goed in de schaduwrijke grond onder de bomen. Het grasveld voor het huis was het bleekveld.

Wat verbouwt de boer?

(Zie afbeelding 6.)

Op een gemengd bedrijf staat akkerbouw in dienst van de veeteelt. Vaak werden tarwe, haver, rogge en gerst verbouwd, evenals erwten, aardappelen en suikerbieten.

In de jaren ‘60 van de 20e eeuw gingen sommige boeren met een veeteeltbedrijf hier over op akkerbouw van tarwe, erwten, kapucijners, suikerbieten, aardappelen of spruiten. Was je op een veeteelt bedrijf zeven dagen per week in touw, een akkerbouwer kent periodes van drukte. Tussen april en september wordt het meeste werk verzet. Het bestaat uit poten, zaaien, vuilhakken, spuiten, controleren, beregenen en oogsten.

Boeren gebruikten de inhoudsmaat mud. Oudere boeren zoals Enno Knibbe uit Hazerswoude weten na zoveel jaren nog precies hoeveel een mud is. Dat zegt iets over de gewassen die toentertijd verbouwd werden. Een mud was 100 liter, oftewel 70 kilo aardappelen, 80 kilo erwten of bonen, 75 kilo tarwe en 60 kilo gerst of 50 kilo haver.

Rond 1875 begonnen boeren met het weiden van kerkschapen. Het kerkbestuur van de Engelbewaarderskerk kocht aanvankelijk  de lammeren op de lammermarkt in Leiden. Boeren brachten deze lammeren groot samen met de eigen schapen. De opbrengst van de kerkschapen was voor het onderhoud van kerk en pastorie en voor de armen. Minderbedeelden konden een beroep doen op de kerk. Later verkochten boeren enkele eigen schapen of lammeren voor de kerk. Dit veranderde op 1 januari 1971 toen parochianen verondersteld werden een vaste kerkbijdrage te geven. Daarrmee verdwenen de kerkschapen.