1236

Huis Almelo

De Heerlijkheid Almelo en Vriezenveen

Tijd van steden en staten

Voor de geschiedenis van Vriezenveen is het ontstaan van de Heerlijkheid Almelo en Vriezenveen zeer belangrijk geweest. Het woord heerlijkheid heeft betrekking op een adellijke bezitting. Een heerlijkheid werd bestuurd door een heer, die in een versterkt huis woonde. In een charter uit 1157 is al sprake van ene Everhardus van Almelo. In 1236 gaf de Utrechtse Bisschop Otto III toestemming aan de heer van Almelo, Henricus of wel Henricus van Almelo en aan de mensen die daar woonden om een kapel te bouwen. Uit deze akte blijkt voor het eerst dat de familie Van Almelo een bijzondere rechtspositie in deze streek had opgebouwd. De heerlijkheid Almelo en Vriezenveen bestond uit de nederzetting Almelo, die in 1420 officieel stadsrechten kreeg, met het omliggende gebied en het Almelerveen in het noorden.

Van Almelo werd Van Rechteren Limpurg

Halverwege de 14de eeuw trouwde erfdochter Beatrix van Almelo met Evert van Heeckeren. Door dit huwelijk kwam huis Almelo in bezit van de familie Van Heeckeren, later Van Rechteren genaamd In 1711 trouwde Joachim Hendrik Adolph van Rechteren met een erfdochter Rijksgravin von Limpurg Speckfeld en zo is er de naam Limpurg bijgekomen. De heren van Almelo wonnen in de loop van de tijd aan invloed. In 1705 ontving Adolph Hendrik van Rechteren vanwege zijn staat van verdienste van de Duitse keizer de titel van graaf. In 1822 kreeg Adolp Frederik Lodewijk van Rechteren Limpurg, Heer van Almelo en Vriezenveen en ook zijn nageslacht bij Koninklijk Besluit de titel van graaf. De huidige bewoner van kasteel Almelo heet dan ook Adolph Frederik Lodewijk graaf Van Rechteren Limpurg.

Heerlijke rechten en belastingen

Een heerlijkheid beschikte over diverse voorrechten. Zo benoemden de heren van Almelo de pastoor, later predikant, de schout, de leden van het gerecht, de koster, de doodgraver, de voorzanger en de schoolmeester. Tussen 1814 en 1848 had de heer het voordrachtsrecht van de schout, secretaris en de ontvanger van de gemeente. In deze periode had hij ook het benoemingsrecht van functies als nachtwaker, turfsteker en schipper. Daarnaast genoot hij opbrengsten uit belasting op onroerend goed, pachtgelden, tiendrecht, tolrecht, windrecht, jachtrecht, visrecht, recht tot het steken van turf, marktrecht, recht op het houden van zwanen en een eendenkooi. In de loop van de geschiedenis zijn er diverse problemen ontstaan over de hoogte van deze afdrachten tussen de bewoners van het Almelerveen en de heren van Almelo. Diverse zaken, zoals het betalen van de pacht in de vorm van boter, zijn dan ook via de rechtbank tot een oplossing gekomen.
De Franse Tijd maakte een einde aan de bevoorrechte positie van de adel, maar nadien kwamen de heerlijkheidsrechten in een zekere mate terug. In 1848 met de nieuwe Grondwet en de Gemeentewet van 1851 kwam er definitief een einde aan, hoewel enkele rechten nog tot in de eerste helft van de 20ste eeuw bleven bestaan.

Gekroonde boerderijen

De familie van Almelo heeft altijd veel invloed in Vriezenveen en omgeving gehad. Tijdens de Reformatie speelden de heren van Almelo een prominente rol bij de overgang van de oude leer naar de nieuwe. Johan van Rechteren sloot zich in 1620 aan bij de gereformeerde kerk en stelde daarmee een belangrijk voorbeeld. De vele bezittingen gaven de familie ook veel zeggenschap. Bij de ontginning van de Weitemanslanden in de jaren dertig in het kader van werkverschaffing speelde de graaf van Rechteren Limpurg met diverse landerijen in dat gebied een belangrijke rol. Heden ten dage zijn de boerderijen die in die periode zijn gebouwd nog te herkennen aan de luiken en de gevelsteen met daarop een kroon. In Bruinehaar bezit de graaf van Rechteren Limpurg nog een grondgebied met heide en enkele boerderijen.