1364

Vrije Vresen in het veen

Het wandelende dorp Vriesenveen

Tijd van steden en staten

Op de hooggelegen gebieden in het Almelerveen vestigden zich rond de 13de eeuw de eerste bewoners. Zij begonnen op eigen houtje de wildernis te ontginnen. Dat gebeurde zonder planmatige opzet. In 1364 kwam daar verandering in. De Heer van Almelo, Evert van Heker, en zijn vrouw Bathe gaven "de Vresen ende alle luden die daer wonet op den voerseyden vene ghelegen tussen de Wederer Wueste ende Bavesbeke" het recht het land ten noorden van Almelo te ontginnen. In die brief van 24 juni stonden de rechten en plichten vermeld en tevens werd het burgerlijke en kerkelijke bestuur geregeld. Eén van de verplichtingen was dat men jaarlijks op St. Martinusdag als pacht een emmer boter van Zwolse maat voor iedere hoeve land moest betalen. De Friese bewoners van het veen genoten, in tegenstelling tot veel horige boeren in die tijd, een grote mate van vrijheid. Ze waren alleen gebonden door hun relatie met de graaf of gravin van de heerlijkheid Almelo en Vriezenveen. Pas in 1634 werden zij onderworpen aan het Overijssels Landregt.

Oude Wegh

De ontginning van het Almelerveen begon aan de zuidkant bij het riviertje de Aa naar het voorbeeld van het Fries-Hollands ontginningstype. Het gebied werd in oost-westelijke richting verdeeld in 40 hoeven van 112 m breed. Tussen de hoeven werden brede sloten gegraven voor afwatering op het riviertje de Aa. De bewoners bezaten het recht van opstrek, dat wil zeggen het recht om achtergelegen grond in eigendom te ontginnen. Was er voldoende grond ontgonnen, dan werd de nederzetting verplaatst naar het noorden. Zo ontstond rond 1400 een nederzetting die wordt aangeduid met de naam de Oude Wegh. In 1395 wordt al melding gemaakt van de aanwezigheid van een kerkje in het Almelerveen.

De vestiging aan de Buterweg

Aan het einde van de 16de eeuw was de nederzetting weer meer naar het noorden verplaatst, tot ongeveer 800 m ten zuiden van het huidige Vriezenveen. Deze nederzetting wordt aangeduid met de naam de Buterweg. Bij de verdere ontginning van het veen stuitte men ongeveer 800 m ten noorden van de Buterweg op een natuurlijke stuwwal. Deze stuwwal was gevormd in de ijstijd en kreeg de naam de Nieuwe Wegh/Nieuwe Dijck. Zij die de grond ten noorden van deze stuwwal gingen ontwikkelen, vestigden zich op deze stuwwal. Tijdens de veldtocht van de bisschop van Munster Bernhard van Galen, beter bekend als Bommen Berend, door het Almelerveen werd op 5 januari 1666 de nederzetting aan de Buterweg zwaar beschadigd.

De vestiging aan de Nieuwe Wegh/Nieuwe Dijck

Wanneer de rust in het Almelerveen weer is teruggekeerd, besluiten de bewoners van de Buterweg hun zwaar beschadigde woningen niet meer te herbouwen aan de Buterweg, maar op de hoger gelegen stuwwal, zodat men minder last had van het water. Ook de kerk werd ongeveer 800 m naar het noorden verplaatst, naar de Nieuwe Wegh/Nieuwe Dijck. In de navolgende jaren verplaatsten ook de overige bewoners van de Buterweg hun woningen naar de nieuwe nederzetting langs de huidige Dorpsstraat. Rond 1680 lag de Buterweg er geheel verlaten bij. Door de grootschalige ruilverkaveling van 1955-1969 zijn nagenoeg alle sporen van de oude vestigingen uitgewist. Op de locaties aan de Oude Weg en de Buterweg zijn daarbij veel bodemvondsten gedaan: van aardewerk en metalen voorwerpen tot kanonskogels.

Dorpsstraat als levensader

De ontginning van het Almelerveen leidde tot een typisch slagenlandschap, zoals vrijwel nergens in Twente voorkwam. De percelen waren oorspronkelijk 112 m breed. Door vererving werd ze opgedeeld in 56 m en vervolgens weer verder, zodat er uiteindelijk zelfs percelen van 7 m breed overbleven. Wanneer de percelen in oost-west richting niet meer gedeeld konden worden, ging de verdeling verder in noord-zuid richting, waarbij dan het recht van overgang gold. Zo ontstond er uiteindelijk een zeer versnipperd gebied, dat tot de ruil- en herverkaveling vanaf 1955 deze structuur zou blijven behouden. Toen aan de dorpsstraat niet meer gebouwd kon worden, werden achter de bestaande hoeven nieuwe boerderijen gebouwd. Vanaf 1932 werd dat achter elkaar bouwen van woningen verboden. Inmiddels zijn aan de zuidkant en de noordkant van de kilometerslange dorpsstraat uitbreidingsplannen gerealiseerd, maar de dorpsstraat vormt nog altijd de levensader van het dorp.