1956

Kleurrijk Utrecht

Migranten

Steden zijn knooppunten waar voortdurend mensen komen wonen en anderen juist weggaan. Zo is er een voortdurende mobiliteit van tijdelijke en blijvende migranten. Deze mensen brengen vers bloed en nieuwe ideeën, technieken en vaardigheden. Sommigen komen vrijwillig, anderen zijn gevlucht voor oorlog en onderdrukking, zoals veel asielzoekers, of vanwege veranderende politieke omstandigheden, zoals de Molukkers, Indonesiërs en Surinamers die uit de (voormalige) Nederlandse koloniën afkomstig zijn.

Vaak kwamen mensen naar Utrecht voor studie of werk. In de twintigste eeuw had de stad migranten nodig als arbeidskrachten in de nieuwe fabrieken en werkplaatsen. Al voor de Tweede Wereldoorlog zochten grote bedrijven als Demka en Werkspoor werknemers in andere delen van Nederland en buurlanden. Na de oorlog werd de blik verruimt. Zo vond men in 1956 Hongaren in vluchtelingenkampen in Oostenrijk.

De migratie veranderde toen de Nederlandse regering vanaf 1960 wervingsverdragen met landen rond de Middellandse Zee sloot. De nieuwe migranten waren 'gastarbeiders', vooral jonge mannen van wie verwacht werd dat ze na enkele jaren weer zouden teruggaan naar hun moederland. Tot 1965 telde Utrecht vooral veel Spanjaarden, Italianen en Grieken. Daarna nam het aantal gastarbeiders uit deze landen niet meer toe en een groot aantal keerde inderdaad terug. Een nieuwe groep arbeidsmigranten trok naar Nederland, vooral mensen uit Turkije en Marokko. Velen van hen hadden aanvankelijk ook het plan om terug te keren, maar uiteindelijk is een groot aantal gebleven. Al deze groepen richtten eigen verenigingen op, al was dat soms moeilijk door onderlinge politieke tegenstellingen. Voor het geloof zochten de migranten eigen gebedsruimtes. Konden Spanjaarden en Italianen zich aansluiten bij de katholieke kerken, Grieken moesten voor een eigen geloofsruimte zorgen. Moskeeën kwamen er vanaf 1970.

Gastarbeiders waren vooral mannen, maar steeds meer lieten ze hun gezin overkomen. Dat gebeurde vooral na 1970. Met de komst van het hele gezin veranderden de woonwensen. Zolang de mannen alleen waren, wilden ze vooral goedkoop wonen, desnoods met meerderen op een kamer in een groot gastarbeiderspension. Na gezinshereniging zocht men een eigen, liefst niet al te dure, woning. Omdat de goedkopere huurwoningen vooral in Kanaleneiland, Overvecht en Zuilen te vinden waren, concentreerden de migrantengezinnen zich in die wijken. Dit werd versterkt door het vertrek van Nederlanders. Dat het ook anders kan, blijkt uit het voorbeeld van Lombok als 'gemengde' wijk.