1566

De Beeldenstorm

Utrecht in opstand

Tijd van ontdekkers en hervormers

Op 24 augustus 1566 vernielde een groep calvinisten het interieur van de Geertekerk in Utrecht. Beelden werden kapot geslagen en kunstwerken vernield. Dit gebeurde op veel meer plaatsen in heel Nederland. Deze 'Beeldenstorm' was begonnen in de Zuidelijke Nederlanden en had zich nu uitgebreid naar het noorden.

Meer aandacht voor de Bijbel
In 1517 had de Duitse monnik Maarten Luther kritiek geuit op de rooms-katholieke kerk. Hij was het niet eens met de verering van heiligen, zoals dat in de rooms-katholieke kerk gebruikelijk was (en is). De kerkleiders waren in zijn ogen veel te machtig en de kerk was met al haar pracht en praal een poppenkast geworden. Dat had allemaal niets meer te maken met de leer van bescheidenheid die Jezus ooit gepredikt had. Bovendien moesten de gewone mensen het geld opbrengen voor al die prachtige kerkgebouwen, beelden, schilderijen en zilverwerk.

Luther wilde daarom terug naar het zuivere geloof van Jezus en dit was volgens hem in de Bijbel zelf te vinden. Hij vond dat de mensen zélf de bijbel moesten kunnen lezen. Dat zou de kerkleiders, die in hun preken altijd vertelden wat de mensen moesten doen en laten, ook minder macht geven. Luther schreef zijn ideeën op papier en prikte dit op de deuren van de kerk in Worms (plaats in Duitsland). Vele gelovigen waren het met Luther eens omdat ze ook ontevreden waren.

Het nieuwe geloof werd populair
De fransman Johannes Calvijn had ongeveer net zulke ideeën als Luther. Steeds meer mensen waren het met Luther en Calvijn eens. In Utrecht noemden deze ontevreden gelovigen zich calvinisten, omdat ze net als Calvijn de katholieke kerk wilden veranderen. Deze periode wordt de reformatie of hervorming genoemd. (Reformeren of hervormen betekent veranderen)

In de Lage Landen - waaronder het huidige Nederland - volgden steeds meer mensen uit alle lagen van de bevolking Luther en Calvijn. De Lage Landen waren onderdeel van Spanje en de Spaanse koning Filips II was hier toen de baas. Hij was een fanatiek aanhanger van het katholieke geloof en accepteerde niet dat inwoners van zijn rijk calvinist werden. Hij noemde hen ketters en liet ze op de brandstapel gooien.

Het zijn maar bedelaars
Veel edelen, waaronder Willem van Oranje, kwamen in verzet tegen Filips. Ze vroegen landvoogdes Margaretha van Parma op 5 april 1566 in een smeekschrift op te houden met het vervolgen van ketters. De calvinisten deden immers niemand kwaad, ze hadden alleen een ander geloof. Margaretha schrok van de grote groep edelen, maar haar raadsheer zei dat ze niet bang hoefde te zijn, want Ce ne sont que des gueux, 'het zijn maar bedelaars'. Hij zei dat omdat de meeste edelen niet zo rijk waren. Het Franse woord voor bedelaars is gueux. De edelen namen dit woord over en gingen zichzelf geuzen noemen. Ze droegen een bedelnap en een munt om hun nek.

Stiekem naar de hagenpreek
Die zomer gingen de calvinisten door met het verspreiden van hun 'nieuwe' geloof. In Utrecht waren dat voornamelijk ambachtslieden. Ze hadden geen kerk om binnen naar de preek te luisteren, daarom deden ze dat buiten. Dat werd een hagenpreek genoemd en het bijwonen ervan was verboden. Predikant Gerrit van Culemborg hield in de boomgaard buiten de Tolsteegpoort in de stad Utrecht toespraken. Vanwege zijn uiterlijk werd hij Schele Gerrit genoemd.

Beeldenstormers in actie
Op 25 augustus eisten de calvinisten twee kerkgebouwen van de burgemeester om voortaan hun diensten te houden. De burgemeester wilde eerst aan Margaretha van Parma vragen of zij dat wel goed vond. Intussen had zich voor de Mariakerk een menigte verzameld. Die boze mensen konden zich niet meer inhouden en bestormden de Buurkerk. Ze wilden de kerk ontdoen van de pracht en praal die symbool stond voor het valse geloof van de katholieke kerk. Zij hadden al die pracht en praal niet nodig, de Bijbel was genoeg. Daarom werden alle beelden, schilderingen, altaren en andere kunstwerken vernield. De beeldenstormers (zo'n 500 mensen) hadden de smaak te pakken gekregen en gingen verder met slopen en plunderen in de Jacobikerk. De volgende dag moesten de Geertekerk en de Nicolaaskerk eraan geloven. Er zat voor de burgemeester niets anders op dan met de beeldenstormers te gaan praten. Ze kregen de Jacobikerk toegewezen om voortaan naar de preek te luisteren.

Zandkerk
De overwinning was echter niet van lange duur. Margaretha van Parma was het er niet mee eens en de calvinisten stonden weer op straat. Om een nieuwe beeldenstorm te voorkomen zorgde Willem van Oranje voor een vaste plek buiten de Wittenvrouwenpoort waar de calvinisten hun hagenpreken mochten houden. De grond werd bedekt met zand om droge voeten te houden. De plek werd dan ook de Zandkerk genoemd.