Burgemeesters

Van magistraat naar carrièrestap

In de overgang van de achttiende naar de negentiende eeuw vormden Maarssen, Maarsseveen en Maarssenbroek nog geen bestuurlijke eenheid. In 1829 werd J.G. Dolmans (1829-1856) de eerste burgemeester over alle drie de gemeenten. Daarvóór werd per gemeente een aparte burgemeester benoemd. In 1857 werd Maarssenbroek en in 1949 Maarsseveen bij Maarssen gevoegd.

De positie en rol van de eerste burger was in de afgelopen 150 jaar sterk aan verandering onderhevig: van magistraat via manager en teamleider naar ‘voorwaardelijk’ burgemeester. Deze typologie is herkenbaar in de bijna twintig verschillende burgemeesters die Maarssen en Maarsseveen in de loop der jaren hebben gehad.

De magistraat

De magistraat-burgemeester was een duidelijk zichtbare vertegenwoordiger van de (centrale) overheid, typisch een gezagsdrager, vaak van adel en een echte ‘burgervader’.

De eerste van hen was Jhr. mr. Joan Huydecoper van Maarsseveen van 1856 tot 1868. Hij woonde op Goudestein en was lid van de Eerste Kamer. In 1866 kreeg hij te maken met de hevigste cholera-epidemie in Nederland van die eeuw: 21.000 doden op een bevolking van 3,5 miljoen.  Zijn opvolger, Jhr. D.J.A.A. van Lawick van Pabst tot Nijeveld, (1868 tot 1871) woonde op Huis Ter Meer. Hij stond bekend als formeel en ambtelijk.

Van 1871 tot 1902 was Jhr. J. C. Strick van Linschoten burgemeester van Maarssen en Maarsseveen. Met kamerlid Bastert was hij voorstander van het kanaliseren van de Vecht om te voorkomen dat de scheepvaart naar het Duitse achterland niet langer via de Vecht zou verlopen. Hij initieerde begin twintigste eeuw een belangrijke reorganisatie en verbetering van het onderwijs. S.I. Cambier van Nooten was burgemeester van 1903 tot 1922. Hij leidde de gemeente door de lastige oorlogsperiode met inkwartieringsperikelen, voedselverstrekking en het onderbrengen van Belgische vluchtelingen.

De manager

Dit type burgemeester is optimaal ingevoerd in de gemeentelijke processen en is administratief en financieel onderlegd. Maarssen liet eerder dan de rest van het land de keuze voor een ‘magistraat’ achter zich en koos na WOI voor een manager als burgemeester

M.H. Eggink is daar een uitstekend voorbeeld van. Hij was burgemeester van 1922 tot 1939. Zijn bekwaamheid als bestuurder in een tijd van toenemende industrialisering en groei van de arbeidersbevolking, gecombineerd met zijn doortastende persoonlijkheid, maakten hem tot een populaire burgemeester, ondanks zijn 'zuinigheid' in de crisistijd.

Van 1939 tot 1948 was mr. J. van Haselen burgemeester. Ondanks de moeilijke bezettingstijd wilde hij zijn ambt ‘in strikte rechtvaardigheid en onpartijdigheid’ vervullen. Grote deceptie over naoorlogse opvattingen over en reacties op gebeurtenissen in de oorlogsjaren deden Van Haselen in 1947 weigeren een herbenoeming te aanvaarden.

Van 1948 tot 1976, de periode van de wederopbouw, had Maarssen H. J. de Ruiter als burgemeester. Hij ging voortvarend te werk en profileerde zich als bouwburgemeester. Maarssen groeide in inwonertal en in oppervlakte. Waverijn (1967-1985) zette het beleid voort van zijn voorganger tot verdere uitbreiding van Maarssen. In zijn tijd werd Maarssenbroek gebouwd. De huidige Waverijnweg symboliseert de visie van deze burgemeester: een verbinding maken tussen Maarssen-dorp en Maarssenbroek.

De teamleider

Veranderingen in de politieke mores, het ontstaan van programcolleges en meerderheidscolleges noodzaken tot het voeren van politieke onderhandelingen in de gemeentelijke arena met een burgemeester als teamleider.

Mr. E. M. d’Hondt was in functie van 1985 tot 1990. D’Hondt maakte zich sterk voor regionale samenwerking op diverse gebieden, met name de structuurvisie. Hoog in zijn vaandel stonden vrouwenemancipatie, ouderenbeleid, werkgelegenheid en het welzijn in de wijken. Tijdens zijn ambtsperiode werd de bouw van het nieuwe Gemeentelijk Administratiekantoor achter Goudestein in gang gezet.

In 1990 nam J. Bos een korte periode het ambt waar. Hij werd opgevolgd door O. Feitsma, burgemeester tot 1998. Het waren toen politiek roerige tijden in Maarssen. In mei 1997 kondigde Feitsma vrij onverwacht zijn vertrek aan.                                                       Zijn opvolger was mr. J. M. Schouwenaar van 1998 tot 2002. Het politieke klimaat in Maarssen paste niet echt bij zijn persoon. Na vier jaar was hij aan een nieuwe uitdaging toe en vertrok hij naar Middelburg. Tot mei 2003 was dr. G. Mik waarnemend burgemeester.

De ‘voorwaardelijke’ burgemeester

De burgemeester wordt steeds nadrukkelijker de spreekbuis van de gemeente, vooral bij probleemsituaties ten aanzien van openbare orde, veiligheid en volksgezondheid. Imago wordt steeds belangrijker en de media spelen daarbij een cruciale rol. Kwetsbaarheid, kritische rapporten en moties van wantrouwen maken van een burgemeester een ‘voorwaardelijke’ burgemeester. Als je het goed doet, mag je blijven. Ook dat hebben enkele burgemeesters van Maarssen ondervonden.

Drs. J.W. van der Sluijs, burgemeester van 2003 tot 2007 werkte vooral aan verbetering van de politieke sfeer en werkwijze, maar moest zich desondanks toch bezighouden met bestuurscrises, integriteitsonderzoeken met betrekking tot raadsleden en met frauduleuze ambtenaren. Enigszins teleurgesteld vertrok hij naar Leidschendam-Voorburg. Waarnemer daarna was J. Broekhuis van november 2007 tot september 2008.

In september 2008 werd mw. drs. M. M. van ’t Veld in Maarssen de jongste vrouwelijke burgemeester van Nederland. Toen eind 2010 de gemeente Stichtse Vecht ontstond, werd zij daarvan eerst waarnemend en vervolgens officieel burgemeester tot juli 2014.