1760 - nu Tijd van pruiken en revoluties

Twee eeuwen jaarmarkten

Pilsje pakken bij ’t Boerke?

Komt u in 2020 ook met de jaarmarkt bij ’t Boerke in Rijen een pilsje drinken? In het café-restaurant dat ooit ‘Landbouws Welvaren’ heette? Dat zou leuk zijn, want in dat jaar valt er iets te vieren. Het is dan tweehonderd jaar geleden dat de boeren op initiatief van Christoffel Houtepen en Cornelis van Dongen voor het eerst in hun dorp een veemarkt hielden. De huidige jaarmarkt in oktober is er nog altijd een overblijfsel van.

Gilze, Rijen, Hulten en Molenschot zijn alle vier van oorsprong agrarische gemeenschappen. De eerste bewoners waren zelfvoorzienend. Ze bewerkten hun akkertjes, hielden hun schapen en bijen en plukten hun fruit. Ze karnden de melk voor de boter, verbouwden groenten, spinden hun wol en weefden linnen. Ze woonden vooral op die plekken waar het voor mens en dier veilig was, in de buurt van water. Het leven op het platteland kabbelde op die manier eeuwenlang voort.

De zandgronden hier in de streek waren erg schraal. Om ze vruchtbaar te krijgen, moesten de bewoners ze flink bewerken. Daarbij waren ze afhankelijk van de mest die ze voorhanden hadden. Heel lang kwam die mest uit de potstal. In de achttiende eeuw begon de overheid ontginning van grond meer te stimuleren. Maar met de komst van de kunstmest in de negentiende eeuw, kwam de ontwikkeling van de landbouw pas echt goed op gang.

Dat leidde ook tot meer vee op de bedrijven. Het overschot aan boter zetten de boeren op de markten in Breda af en voor de dieren was in eerste instantie de veemarkt in ’s-Hertogenbosch de aangewezen plaats. Begin negentiende eeuw kwamen hier in de dorpen de veemarkten op gang. Gilze kreeg ook wel een markt, maar die van Rijen was in de regio lang de grootste en gaf een grote impuls aan de bedrijfsvoering. De grotere boeren in Gilze en Rijen voerden hun overschot aan producten vooral uit naar Holland en Zeeland. Het ging om rogge, boekweit, haver, hout, runderen, kalveren en schapen.

De komst van de spoorlijn in 1863 gaf de boeren meer mogelijkheden om mest van elders aan te voeren en om vee van de veemarkten deze kant op te krijgen. Zo bleven de boerenbedrijven groeien en aan het eind van de negentiende eeuw staken de boeren de koppen bij elkaar om de coöperatieve melkfabrieken op te richten. In Rijen gebeurde dat in 1897 en in Gilze in 1903.

Rond diezelfde tijd (1880) stak de landbouwcrisis de kop op en de gevolgen daarvan waren voor iedereen merkbaar. Nederland werd overspoeld met graan uit andere werelddelen en daardoor kwam de ontwikkeling van de boerenbedrijven zo goed als stil te staan. Maar de boeren hier op de zandgronden kropen met hun gemengde bedrijven toch weer uit het dal. De grote stuwende kracht was de coöperatieve gedachte, die zich bij de oprichting van de melkfabrieken al bewezen had. In Molenschot werd in 1906 een coöperatieve maalderij opgericht. In 1909 kwam in de vier dorpen de Coöperatieve Boerenleenbank van de grond. Ook de Noord-Brabantse Christelijke Boerenbond (NCB) van 1915 was voor de boerenbedrijven een krachtige stimulans.

De periode tot de Eerste Wereldoorlog was daardoor een bijzonder goede voor de boeren hier. De landbouw was de grootste werkgever in de dorpen. Maar toen in 1929 de wereldcrisis uitbrak, betekende dat ook voor de boeren een klein drama. De arbeiders in de kernen vonden hun bestaan meer en meer bij de leerfabrieken.

Na de Tweede Wereldoorlog deed vanuit de EEG een andere bedrijfsvoering zijn intrede. Vooral Sicco Mansholt (Europees commissaris 1958-1973) propageerde die. Specialisatie was het toverwoord en het beleid richtte zich op groot en nog groter. Al in de jaren vijftig werd over ruilverkaveling gesproken. Pas in 1972 pakte de overheid deze klus daadwerkelijk op en het duurde tot 1984 voordat alles was afgerond. De uitkomst is nog iedere dag zichtbaar. Het landschap veranderde totaal. Vóór de verkaveling kende onze gemeente nog zevenduizend percelen, erna 2.800. De kleine boeren konden de ontwikkelingen niet volgen en flinke saneringen waren het gevolg. Ook de milieueisen en de mest- en melkquota maakten dat het voor veel boeren allemaal niet meer op te brengen was. Een groot aantal stopte ermee of emigreerde.

Van de agrarische gemeenschappen die onze dorpen oorspronkelijk waren, is weinig of niets meer over. Gilze en Rijen kent nog maar een fractie van het aantal boerenbedrijven van toen. Dus pakken we in 2020 met z’n allen in ‘t Boerke een pilsje, dan zullen degenen om wie het tweehonderd jaar geleden allemaal te doen was, op één hand te tellen zijn. Daar ziet het tenminste wel naar uit. Desalniettemin brengen we dan een welgemeende toost uit op ‘Landbouws Welvaren’ én op Cornelis van Dongen en Christoffel Houtepen.

 

Bron: De historische canon van Gilze en Rijen, 2012 - Heemkring Molenheide