De grote brand van Gellicum

Verwoestend vuur

Op 3 mei 1928 brak er rond half twee in de middag een grote brand uit in Gellicum. Het vuur verspreidde zich van een schuurtje naar de belendende percelen en de Nederlands Hervormde kerk. Van deze kerk (met een pannendak) bleven de stenen muren overeind staan. De andere woonhuizen, tien in totaal en staande aan de Lingedijk, zowel buiten- als binnendijks, gingen allen verloren. De daken daarvan waren gedekt met riet en vormden een gemakkelijke prooi der vlammen.

Razendsnel

Het was die dag zonnig weer en er waaide een schrale oostenwind. Daardoor was alles kurkdroog. De oorzaak van de brand is altijd onbekend gebleven, maar het gerucht ging dat een Gellicummer zijn pijp met smeulende tabak uitklopte tegen een schuurtje gedekt met riet. Dat riet vloog in brand en door de harde wind verspreidde het vuur zich razendsnel van het schuurtje naar de belendende percelen.

Redden wat er te redden viel

Het mansvolk was in het veld op het land aan het werk en hoorde krijsen: ‘Braaaand, braaand’. Ze haastten zich op hun klompen huiswaarts om te kijken wat er te redden viel. Dat was praktisch niets. Alle familiefoto’s, trouwboekjes en belangrijke papieren gingen verloren. Een meevaller was dat er geen menselijke slachtoffers te betreuren waren. De meeste mensen waren maar matig verzekerd. De vrijwillige brandweer pompte met een primitieve ouderwetse handpomp het water vanuit de Linge om de brand te blussen. Zes sterke mannen pompten zich bijna de longen uit het lijf. Het was een druppel op een gloeiende plaat. Naburige brandweerlieden uit Rhenoy, Leerdam, Geldermalsen, Enspijk en zelfs Buren kwamen hulp bieden. Sommigen beschikten over een motorspuit. Met tien stralen bluswater werd de brand bestreden, maar het mocht niet baten. Uit de Nederlands Hervormde kerk was nog een en ander gered: het zilveren avondmaalstel, de lichtkroon en enkele oude bijbels.

Hoe het verder ging

Rond 18.00 uur werd het rampgebied afgezet en bewaakt in opdracht van het Parket uit Tiel. De dakloze gezinnen werden ondergebracht bij familieleden, in het Rechthuis en zelfs tijdelijk in kelders onder andere woningen. Kastelein Cock Tas van café ’De Windhond’ deed goede zaken. De ramptoeristen deden zich te goed aan een stevige borrel. Bovendien was het traditie dat de brandweerlieden ‘vrij drinken’ hadden tijdens het blussen, op kosten van de gemeente Deil. Er werd ook ruimschoots gebruik gemaakt van de broden, die bakker Tas nog in voorraad had. Weldra werd er een Vertrouwenscommissie ingesteld onder leiding van burgemeester W.M. Kolff. Die zorgde ervoor dat de herbouw van de afgebrande huizen voortvarend ter hand werd genomen. Alle verloren gegane panden werden nog in hetzelfde jaar herbouwd. De daken werden verplicht met pannen gedekt. Nog lange tijd was de grote brand het gesprek van de dag en werden er vele herinneringen opgehaald tijdens de lange winteravonden.

Bronnen:

  • kranten De Geldermalser en De Leerdammer, mei 1928
  • landelijk tijdschrift "het Leven" d.d. mei 1928

Rechten

Paul van Mook, maart 2022, CC-BY-NC