De eerste boeren

Kleine nederzettingen in de IJzertijd

De hoofdstroom van de Rijn kwam in de loop der tijd zuidelijker te liggen, met gevolg dat de noordelijke oeverwal breder werd.
Er ontstonden kreekruggen door het dichtslibben van kleine riviergeultjes met zand en klei. Deze hoger liggende kreekruggen waren geschikt om te bewonen. Vanaf 400 v. Chr. gaan boeren zich hierop vestigen.
Kleine boerderijen omgeven door akkertjes ontstaan. Later gedane vondsten als aardewerkscherven en dierbotten geven een beeld van het leven in de IJzertijd. Veel van deze nederzettingen bleven bestaan tot ver in de Romeinse tijd.