1760 Tijd van pruiken en revoluties

Abraham en Jacob van Strij

In helder licht...

De Dordtse familie Van Strij bracht meerdere generaties kunstschilders voort, van wie de broers Abraham en Jacob de bekendste zijn. Hun werk is in diverse Dordtse huizen maar vooral in het Dordrechts Museum terug te vinden in de vorm van behangschilderingen, interieurstukken, cartouches en (portret)schilderijen.

De schilderswinkel van Leendert van Strij
In 1752 kocht de toen 24-jarige Leendert van Strij een huis in de Grotekerksbuurt. Leendert begon daar een schilders- of ververswinkel. Hij was een groot liefhebber van schilderkunst, kon daarover goed vertellen, maar in tegenstelling tot zijn zonen is hij als kunstschilder niet heel bekend geworden.
In 1773 kreeg hij een bijzondere opdracht. Orgelbouwer Hendrik Hermanus Hess bouwde een nieuw orgel voor de Augustijnenkerk. Leendert verzorgde het ‘lijmen, verwen, stoppen en driemaal schilderen van de wulven’ van het orgel.Abraham en Jacob van Strij ‘in de leer’

Abraham (1753-1826) en Jacob (1756-1815) waren het tweede en derde kind van Leendert van Strij en Catharina Smak. Nadat zij het vak van hun vader hadden geleerd, volgden ze een opleiding aan de Antwerpse Schilderacademie. Jacob ging hierna in de leer bij de Antwerpse historieschilder Andreas Lens en zijn broer kreeg les van Joris Ponse, een veelgevraagde Dordtse kunstschilder, die op zijn beurt bij Aert Schouman in de leer was geweest.

Pictura
Abraham speelde een prominente rol in de Dordtse kunstgeschiedenis. In de zomer van 1774 richtte hij samen met schilder Reinier Goudsbergen, Willem van der Koogh (een zwager van Abraham) en schilder Pieter Hofman het nog steeds actieve Teekengenootschap Pictura op. Jacob was op dat moment in Antwerpen, maar werd direct lid, evenals Jan van Strij, de derde broer.

Met pensioen
In 1787 besluiten de dan bijna 59-jarige Leendert en zijn vrouw dat hun zonen Abraham en Jacob het schildersbedrijf zullen voortzetten. Ze schenken hen de schilderswinkel, inclusief het onroerend goed. Tegelijk leggen ze vast dat hun zonen verplicht zijn om hun ouders tot hun dood een jaarlijks bedrag van 300 gulden te betalen, wat voor die tijd voldoende was om van te leven, zeker omdat ze gratis in het huis zouden blijven wonen.

Het is een mooi voorbeeld van pensioenvoorziening en ouderenzorg in de achttiende eeuw. Dit is te vergelijken met een lijfrentepolis: je stort er een bedrag in (in dit geval de waarde van het bedrijf) en je krijgt daar de rest van je leven een inkomen voor terug. Vervolgens sluiten de beide broers een vennootschapscontract af waarin ze de voort te zetten werkzaamheden van hun vader minutieus beschrijven:

De affairen van schilderen met het penseel in olie of waterverff, van pourtraitter, behangsels, kabinet, schoorsteen en diergelijke stukjes, het vergulden van gebruijneert goud op olie en het verwen van Huijzen, Thuijnen, Rijtuijgen, Schepen en diergelijken of wat maar eenigzints meerder of anders tot de affairen van schilderen vergulden en verwen behoort, niets hoegenaamt direct nog indirect daarvan uijtgezondert te doen en gaan laaten voor hunne gemeene reekeningh ingegaan den eersten Januarij 1787.

En met succes: het schildersbedrijf bleef hierna nog twee eeuwen bestaan.