1376 - 1795 Tijd van steden en staten

De Munt van Holland

Moneta Dord’ce

In de dertiende eeuw verschenen de eerste Dordtse munten. Deze munten hadden het Latijnse opschrift 'Moneta Dord’ci', ofwel 'Munt van Dordrecht'. Dit verwijst naar de muntplaats van graaf Floris V.

 

Al in 1260 komt er een Jacob de muntmeester voor in een Dordtse oorkonde en in een stadsrekening uit 1286 komen we de naam van ene Wouter de Munter tegen. Maar het is onduidelijk wanneer Dordrecht voor het eerst over een muntplaats beschikte. 

Muntgebouw
In 1376 werd het slaan van munten in een langgerekt pand tussen de Voorstraat en de Doelstraat ondergebracht. Het muntcomplex bestond naast de woningen van de munt- en keurmeester onder meer uit een proeflokaal, waar het gehalte goud en zilver werd bepaald. In de zogeheten 'blanchiercamer' werden platen muntmateriaal op kleur gebracht. Verder waren er kamers voor stempelsnijders en graveurs. In de gietkamer werden de gouden en zilveren munten gegoten. Het van tralies voorziene gebouw had een klokkentorentje met op de top een weerhaan.

In 1555 werd het pand door keizer Karel deels herbouwd en gerenoveerd. Er bestaat een tekening waarop te zien is dat het pand ter linkerzijde van het poortje aan de Voorstraat een trapgevel had. Daar woonde de keurmeester en in het rechterpand de muntmeester. Het rijkelijk van beeldhouwwerk voorziene poortje is gebouwd door de beeldhouwers Jan Pietersz. en Jan Willemsz. Zij voorzagen het van de tekst:

DIT IS DIE MVINTE DES ROM KEYSERS IC EN GRAEFFELICKHEYTS VÁ HOLLANDT

Tot 1850 bevond zich boven het poortje een aedicula, oftewel de ombouw van een nis, met daarin beeltenissen van twee leeuwen en het wapen van Habsburg. Het werd bekroond met een fronton met daarin het wapen van Holland. Van de Voorstraat tot de Doelstraat was het totale complex 123 meter lang en ongeveer 23 meter breed.

Munten, gedenk- en rekenpenningen
Aan de vroegste munten werden geen hoge eisen gesteld. Ze hoefden niet mooi rond te zijn en het stempelen ging niet altijd even zorgvuldig. Vanaf 1367 hadden de Hollandse munten doorgaans een roosje als muntteken. Tot 1670 was alles handwerk, hierna werd het proces gemechaniseerd.
Met een door paarden aangedreven pletmolen werden platen (edel)metaal op de juiste dikte gewalst. Met snijscharen knipte men daar vervolgens ronde plaatjes uit en met een schroefpers werden de gewenste afbeeldingen op die plaatjes aangebracht. Om te voorkomen dat de munten in het gebruik werden gesnoeid – oftewel dat het zilver of goud eraf werd geschild – werden vanaf het midden van de achttiende eeuw op de rand kartels aangebracht. Naast munten werden er in de muntplaats ook medailles, gedenk- en rekenpenningen gemaakt. Rekenpenningen werden gebruikt op een rekenbord, waarbij de positie van de penningen de waarde van een getal aangaf.

Zorg voor elkaar
In de Grote Kerk hadden de munters vanaf 1422 een eigen kapel, waarin zij met hun familieleden begraven mochten worden. Hoewel de munters officieel geen gilde mochten vormen, had hun gezelschap daar wel alle schijn van. Zo moesten de muntgezellen de begrafenis van een collega bijwonen, op straffe van een boete. Op 24 juni (Sint Jansdag) werd jaarlijks een rijkelijk feestmaal genoten. Indien een munter door ziekte niet in staat was om te werken, kon hij een beroep doen op het zogenaamde 'serment', een soort arbeidsongeschiktheidsverzekering.
In de tijd van de Bataafse Republiek viel het doek voor de Dordtse munt. Bij koninklijk decreet werd bepaald dat er vanaf 31 december 1806 in Utrecht één nationale centrale muntplaats zou zijn.