1900 Tijd van burgers en stoommachines

Wonen buiten de stadsgracht

De stad breidt uit

Eeuwenlang kon Dordrecht niet uitbreiden buiten de grachten. Eerst omdat het buitengebied door de Sint-Elisabethsvloed een soort moeras was geworden, later omdat driekwart van het eiland het grondgebied van Dubbeldam was. Vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw kwam daar verandering in.

 

19e-eeuwse schil
Al in het midden van de zeventiende eeuw verkavelde de stad de grond die direct buiten de stadsgracht lag. Tot aan de tegenwoordige Singel konden de vaak gegoede burgers percelen pachten, waarop men tuinen, soms met een koepel of eenvoudig tuinhuisje, in gebruik nam. De burgerij vertoefde daar graag om de drukke stad en de stank van de binnengrachtjes te ontvluchten. Ook Dordts beroemdste kunstschilder Aelbert Cuyp bezat bij het Kromhout zo’n tuin.

Nadat in 1872 het station in gebruik werd genomen en het grondgebied van Dordrecht ten koste van dat van Dubbeldam werd vergroot, verschenen er naast rijtjeshuizen en hofjes ook villa’s, waar de meer vermogende Dordtenaren gingen wonen. Veel villa's werden aan de Singel gebouwd. Al snel werd grond voor woningbouw schaars, waardoor er in de grote villatuinen rijtjeshuizen werden gebouwd. Vaak werd de villa dan gesloopt, maar soms -zoals bij het voormalige buitenverblijf Rozenhof- werd er letterlijk omheen gebouwd.

Parken
Hoe schaars de bouwgrond ook was, de gemeente besefte dat er ook behoefte was aan plantsoenen en stadsparken. Zo is in 1885 Park Merwestein ontstaan, het oudste van de stad. In 1948 werd het Weizigtpark geopend, voorheen landgoed van familie De Roo. Kleiner in omvang is het door huizen omringde Oranjepark. Het Wantijpark was in 1936 het resultaat van een werkgelegenheidsproject in de crisisjaren.

Sociale woningbouw
De bouw van huizen in Krispijn startte niet lang na 1900. In de crisisjaren dertig van de vorige eeuw hebben daar ‘nieuwe’ ideeën omtrent arbeidersemancipatie en sociale cohesie architecturaal vorm gekregen. De als gemeentelijk monument benoemde Mauvebuurt is daar een goed voorbeeld van. Daar is op een hofjesachtige wijze gebouwd in een stijl en sfeer die enigszins doen denken aan de Wilhelminastichting (1926), een woonhof aan het Kasperspad.

Wonen en werken
In de jaren 20 van de vorige eeuw verschenen ten behoeve van de havenarbeiders de eerste huizen aan de Zeehavenlaan. Het wijkje zou uitgroeien tot een woongemeenschap met een sterke onderlinge verbondenheid. Een soortgelijke woonsituatie was er aan het begin van De Staart. Langs de Merwedestraat werden een scheepswerf en diverse fabrieken gevestigd, zoals Lips Sloten en Brandkasten en hoefijzerfabriek Hippos. In dezelfde periode gebouwde wijken als de Indische buurt en het Land van Valk waren stadsuitbreidingen die niet specifiek aan werklocaties waren gebonden.

Buitenwijken
In de naoorlogse wijken Crabbehof en Wielwijk woonden aanvankelijk Dordtenaren uit de binnenstad die, al dan niet vanwege de stadssanering, daarheen waren getrokken. Ook vestigden er zich veel mensen uit het voormalige Nederlands-Indië. De woningnood was hoog en er werden in hoog tempo veel woonblokken uit de grond gestampt. Men woonde er dicht op elkaar en de flats waren uitermate gehorig. Vanaf eind jaren 60 werd aan de andere kant van de spoorlijn Dordrecht-Breda Sterrenburg gebouwd. In de jaren 80 bereikte deze de Wieldrechtse Zeedijk, waar de woningbouw ophield. Inmiddels was de gemeente Dubbeldam opgeslokt (1970) en werd vanaf de tweede helft van de jaren 80 de wijk Stadspolders gerealiseerd.

Het heeft eeuwen geduurd, maar het woon- en grondgebied van de stad Dordrecht beperkte zich niet meer tot binnen de middeleeuwse stadsgrachten.