De oudste stad van Holland

Dordtse stadsrechten

Als de coronacrisis geen roet in het eten had gegooid, dan hadden er in Dordrecht in 2020 de nodige feestelijkheden plaatsgevonden omtrent de viering van 800 jaar stadsrechten. Maar zou dat terecht zijn geweest?

 

Rechten en voorrechten
Een paar snippers perkament was al wat er resteerde van een documentje uit 1220. Bij het in elkaar puzzelen ervan ontstond een gehavend stukje tekst dat later bestempeld zou worden als de oudste stadsrechten van Holland.
Het gaat hier om een document waarmee onder meer aan de burgers van Dordrecht het keurrecht werd verleend. Dit hield grofweg in dat de stad haar eigen regels mocht uitvaardigen zolang deze niet in strijd waren met die van de graaf.
Uit de tekst van een oorkonde uit het jaar 1200 van graaf Dirk VII en zijn vrouw Aleid blijkt echter dat er toen al sprake was van de stad Durdreth. En dat Dordrecht op dat moment dus al stadsrechten moet hebben gehad. Waarschijnlijk al sinds 1195 of daaromtrent.

In 1220 werden die Dordtse stadsrechten uitgebreid met het keurrecht. Die waren dus aanzienlijk ouder en feitelijk inmiddels al aan het vijfde lustrum toe. In 1299 wordt aan het stadsrecht het stapelrecht toegevoegd. De stad had, dankzij tollen en haar gunstige ligging, een uitermate gunstige handelspositie. Het stapelrecht, oftewel de verplichting voor handelaren en schippers om hun goederen eerst in Dordrecht te vermarkten, deed daar nog eens een stevig schepje bovenop.

Dirk VII en Willem I
De loopbaan van graaf Dirk VII van Holland (geb. ca. 1164) begon met de opvolging van zijn vader Floris III, die tijdens de derde kruistocht in 1190 omkwam.
Zijn ambitieuze, jongere broer Willem kwam tegen hem in opstand en vond de Friezen daarbij bereid hem te steunen. Deze strijd werd later gestopt.

Langs de rivieren legde Dirk in die tijd een krans van tollen. Een tol was een plaats waar een soort invoerbelasting (tol) werd geheven op goederen die er passeerden. Dordrecht lag op een uitermate gunstig punt en het verkrijgen van stadsrechten was daar in feite  dan ook een logisch gevolg van. Handel en scheepvaart profiteerden in hoge mate van de situatie en speelden vanaf het jaar 1200 een steeds prominentere rol. De stad had hier bijzonder veel baat bij.

Dirk VII stierf in 1203 in zijn huis te Dordrecht. Hierop brak een opvolgingsstrijd uit tussen dochter Ada - in het belang van de opvolging snel gehuwd met Lodewijk II van Loon - en de nog altijd ambitieuze broer Willem. De Loonse Oorlog (1203-1206) was het gevolg en werd besloten met de opdeling van het graafschap tussen Willem en Lodewijk. Willem kreeg Zeeland en de streek rond Geertruidenberg. Hij regeerde echter officieus ook gewoon door in Holland. Pas na de dood van Ada in 1226 werd hij strikt genomen graaf van Holland, maar hij noemde zich in 1208 al graaf. In feite was hij dat dus al vanaf 1206. Graaf Willem I nam deel aan de vijfde kruistocht (1217-1219). Hij kwam heelhuids terug, maar zijn vrouw Aleid was tijdens zijn afwezigheid in 1218 overleden.

Maria van Leuven
Bij zijn tweede huwelijk in 1220 met ex-keizerin Maria van Leuven werd het eerder genoemde keurrecht van 1220 uitgevaardigd. Zij verkreeg bij dit huwelijk de rechten over Dordrecht waarmee ze tot haar dood over een mooie bron van inkomsten kon beschikken. Overigens betekende dit niet dat zij veel invloed had op het bestuur van de stad.