Tijd van wereldoorlogen

‘Als 't moet’: 21 jaar dorpsbescherming

Venster 35: Geschreven door Matthijs Meij

Sinds de Middeleeuwen bestonden er in de steden al schutterijen waarvan de vrijwilligers de taak hadden om een stad te beschermen bij een aanval en de orde te handhaven bij oproer, brand of prominent bezoek. In de dorpen werden bij dreiging alle zogenaamde ‘weerbare mannen’ opgeroepen om met alle beschikbare wapens de verdediging van dorp en inwoners ter hand te nemen. Daarnaast was er in tijden van dreiging een leger, bestaande uit beroepssoldaten, dat werd betaald door de gewesten en aangestuurd door een Stadhouder. Die beroepssoldaten waren in veel gevallen buitenlanders, waaronder veel Duitsers en Zwitsers. De uitdrukking ‘geen geld geen Zwitser’ stamt uit die tijd. Als je geen geld betaalde, had je geen leger (Zwitserse soldaten). In Nederland werd in 1810 na inlijving van het Koninkrijk Holland in het Franse Keizerrijk de militaire dienstplicht ingevoerd. Iedere man van 20 jaar of ouder moest zich inschrijven. Door middel van loting werd bepaald wie werd opgeroepen. In 1814, na de val van Napoleon, werd besloten een beroepsleger te vormen, aangevuld met dienstplichtigen. Tot 1898 kon iemand die ingeloot was echter een zogenaamde remplacant, een vervanger, inhuren. Na 1898 gold de persoonlijke dienstplicht en kon er niet meer geruild worden.

Oorlog en revoluties

De opheffing van de plaatselijke schutterijen in 1907 leek een paar jaar later te voorbarig te zijn geweest. De Nederlandse overheid miste bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, in 1914, extra mankracht. Daarom werden er reeds tijdens die oorlog  in Nederland verscheidene Landstormkorpsen opgericht, formaties die bestonden uit gewapende burgers. Deze organisatie genaamd de Bijzonder Vrijwillige Landstorm bestond uitsluitend uit oud-militairen, waarbij het doel niet zo zeer was dienst te doen bij landsverdediging in geval van buitenlandse agressie, maar bij binnenlandse onlusten.  

Staatkundig was het Europa van eind 1918 rumoerig, luidruchtig en revolutionair. In 1917 vond in Rusland de Oktoberrevolutie plaats en in Nederland deed socialistisch voorman Pieter Jelle Troelstra in november 1918 een vergeefse oproep tot een socialistische revolutie. De Nederlandse regering drong er daarom bij de gemeentebesturen op aan vrijwillige burgerwachten te vormen. Deze zouden in tijden van binnenlandse onlusten en bij bedreiging van de monarchie de regering steunen bij de gezagshandhaving in hun eigen stad of dorp. Organisatorisch werden zij ondergebracht bij het departement van Binnenlandse Zaken. Om de concurrentie tussen de Burgerwacht en de Landstorm te voorkomen werd er een leeftijdsgrens aangelegd tussen beide groeperingen. Dienstplichtigen tot en met 30 jaar konden zich alleen aanmelden voor de Landstorm en dienstplichtigen boven de 30 jaar en ongeoefenden konden zich alleen aansluiten bij de Burgerwachten.

In het eerste kwartaal van 1919 werden, net als in de rest van Nederland,  in Benthuizen, Hazerswoude en Koudekerk de Burgerwachten opgericht op respectievelijk 31 januari, 6 maart en 12 februari. Als erevoorzitter van deze Burgerwachten werd de burgemeester benoemd en daarnaast werden bestuursleden en commandanten aangesteld die leiding moesten geven aan de manschappen.

Kamerschietoefeningen

De Burgerwachten kwamen wekelijks bijeen voor oefeningen. In Koudekerk bijvoorbeeld in de openbare lagere school waar zogenaamde kamerschietoefeningen werden gehouden. In Benthuizen werd geoefend in het Veilinggebouw. Er werd dan gebruik gemaakt van een groot geweer met een verkleind magazijn en zogenaamde Marga-patronen die het doelwit op circa tien meter moesten raken. Ook werden jaarlijks schietwedstrijden in Katwijk en Alphen aan den Rijn georganiseerd samen met de Burgerwachten uit de regio. Burgerwachten uit Alkemade, Benthuizen, Hazerswoude, Koudekerk, Leiderdorp en Zoeterwoude vormden in 1931 de Kring Rijnland. Die kring was op zijn beurt weer ontstaan uit het Baljuwschap Rijnland Oost en een paar andere Burgerwachten uit de omgeving. Ook werd er wel eens ’s nachts geoefend. In de Rijnbode van 12 juli 1919 is te lezen dat bij een nachtelijke oefening in Koudekerk, één persoon in de sloot viel en twee personen in een mestput. In Hazerswoude werd op 23 juli van dat jaar een burgerwachter gewond afgevoerd naar het ziekenhuis door een schot in het gezicht. Misschien dat de ongeoefendheid van de burgerwachters hieraan bijdroeg?  De Landstorm daarentegen bestond uit oud-militairen en deze mannen oefenden veel minder frequent dan de Burgerwachters. Bij de Landstorm hadden ze immers al een militaire opleiding achter de rug.

(Zie afbeelding 35.1.)

Elke Burgerwacht smeedde zijn eigen geheime plannen en tactieken. In Benthuizen werd in 1935 een plan gemaakt om in geval van binnenlandse onlusten beide kruispunten aan weerszijden van de Dorpsstraat te bezetten en het gemeentehuis te beveiligen. Tevens hadden zij een uitkijkpost op de molen en onderaan de molen een burgerwachter met een fiets om berichten te kunnen overbrengen. Naast de vier groepen waarin de Burgerwacht van Benthuizen was verdeeld, hadden zij ook een vliegend vendel,  bestaande uit vrijgezelle mannen op de fiets die tot snelle acties in staat waren.

(Zie afbeeldingen 35.2. en 35.3.)

In de vroege ochtend van 10 mei 1940 trok het Duitse leger de Nederlandse grens over. Nederland was in oorlog met Duitsland. De Rijnbode van 10 mei 1940 meldt dat het Nederlanders die niet tot de krijgsmacht behoorden, verboden werd met wapens aan de strijd deel te nemen. De Burgerwacht in Nederland en dus ook in Benthuizen, Hazerswoude en Koudekerk stond direct buitenspel. In Koudekerk en Benthuizen en waarschijnlijk ook in Hazerswoude werden toch door de Burgerwacht  toegangswegen tot de dorpen geblokkeerd. Ook werd er gepatrouilleerd en werd verkeer gedirigeerd. Bovendien werd na het bombardement van 14 mei 1940 op Hazerswoude-Rijndijk en Koudekerk gepatrouilleerd om diefstal uit gebombardeerde huizen tegen te gaan. In de zomer van 1940 werden op bevel van de Duitsers alle Burgerwachten in Nederland geliquideerd en was de Burgerwacht na 21 jaar verleden tijd. Ook de Bijzonder Vrijwillige Landstorm werd opgeheven in de zomer van 1940 nadat ongeveer de helft van de manschappen vanaf augustus 1939 was gemobiliseerd en actief had deelgenomen aan de strijd in de meidagen.

(Zie afbeeldingen 35.4. en 35.5.)

In de Koudekerkse gemeenteraadsvergadering van 6 november 1939 werd besloten de subsidie voor de Burgerwacht te verhogen tot 150 gulden, ‘daar het in deze onrustige tijden van zeer groot belang wordt geacht, dat de oefeningen niet door financiële moeilijkheden belemmerd worden en dat de Burgerwacht in geval van nood in staat is haar taak terstond te vervullen’. Voor vijftien leden werden uniformen aangeschaft. Daaraan hadden ongeveer honderd Koudekerkers financieel bijgedragen. Contribuanten betaalden 50 cent tot 4 gulden. De kosten van de uniformen bedroegen 407,85 gulden te betalen aan de Utrechtse Confectie Industrie, de insignes 2,60 gulden. H.P. Didden, de conciërge van het raadhuis, kreeg 2,50 gulden voor mottenballen en kledinghangers. Hij zou de uniformen bewaren.