Tijd van regenten en vorsten

Speeltuin aan de rivier

Venster 20: Geschreven door Arjen van't Riet.

De ‘Gouden Eeuw’ is in de Nederlandse geschiedenis een periode van grote economische welvaart en een bloeiperiode van wetenschap en kunst. De ‘Gouden Eeuw’ valt ongeveer samen met de 17e eeuw, hoewel na het ‘Rampjaar’ 1672 de bloeiperiode afnam. De oorsprong van de bloei lag in de handel. Vooral Amsterdamse kooplieden verwierven daar grote rijkdommen mee. Hun winsten werden belegd in ondernemingen zoals de Verenigde Oost-Indische Compagnie en in de aankoop van land in de nieuwe droogmakerijen. Maar ook aan het eigen plezier werd gedacht. Zo werd het vanaf het tweede kwart van de 17e eeuw mode om het verblijf in het grachtenpand in de stad ’s zomers te verruilen voor wonen aan de rivier. Het bezitten van een buitenhuis of buitenplaats kwam in zwang.

Herenoptrek (Zie afbeelding 20.1.)

De meeste eenvoudige buitenplaats bestond uit een boerderij die verpacht werd en waarin een of meer kamers ’s zomers voor de ‘landheer’ in orde werden gemaakt. Daarnaast hadden veel stedelingen een zogenaamde ‘speeltuin’ buiten de stad aan de rivier. Een tuin voorzien van een tuinhuis of ‘speelhuis’. Later lieten kooplui aan de voorkant van hun boerenwoning vaak een ‘herenoptrek’ bouwen, die door de landheer en zijn gezin kon worden bewoond.

Naarmate de welvaart toenam en wellicht onder invloed van mode en onderlinge jaloezie ontstonden de afzonderlijk staande buitenplaatsen die bestonden uit een groot herenhuis met koetshuis, paardenstal, tuinmanswoning omringd door een grote parkachtige tuin. Vooral langs de Utrechtse Vecht lieten de rijke stedelingen hun buitenplaatsen bouwen, maar ook langs de Oude Rijn in Koudekerk en Hazerswoude stonden hun zomerverblijven.

Overigens was de aanwezigheid van een rivier niet bepalend voor een buitenverblijf. Zo liet Gabriël Duijck liet in 1728 aan de Heerewegh (de Dorpsstraat) in Benthuizen een speelhuisje bouwen. Het heeft er niet lang gestaan, want omdat het zonder toestemming van het ambachtsbestuur was gebouwd, moest hij het weer laten slopen.

Vrijheid, blijheid (Zie afbeeldingen 20.2. en 20.3.)

In de transportakten van het gerecht van Koudekerk worden tussen 1700 en 1850 elf buitenplaatsen genoemd. Met name de rechterlijke archieven, waarin de verkopen van de huizen werden opgetekend, geven de namen prijs en soms gegevens over het uiterlijk of zelfs het interieur. Dertien buitenplaatsen; Riethuijzen, later genaamd de Groenen Rhijn; Jongen Rijn, mogelijk gebouwd omstreeks 1730; Vrijheijd Bleijheid; Kerkrust, later genaamd Rhijn Leeven; Meerwijk; ’t Slot van Paanderen, later ook wel eenvoudigweg Paanderen genoemd; Lust Rust; Lindengrond; Withorst; Puikzicht; Rijnlust en Rijnvermaak. En dan stonden er nog wat buitenplaatsen waarvan bij verkopen de naam niet werd vermeld. De geschiedenis van Puikzicht werd in 2009 uitgebreid beschreven en daarbij ging men terug tot 1544 naar het perceel met de naam ‘Schoutenhuijsweer’. Daar stond, maar dan wel ruim een eeuw later, in 1677, ‘een extraordinaris treffelicke schoone ende welgelegen wooninge ende landen gelegen in de Hontsdijck in oft omtrent den dorpe van Coudekerck’. De woning werd in 1721 geveild op verzoek van de weduwe van de Leidse arts Hubertus Decker. Bij de veiling werd gesproken over een ‘welbepote en beplante speeltuin met een vermakelijk speelhuisje daarinne’. Het aanwezige goudleerbehang in de kamer boven de kelder werd nadrukkelijk van de verkoop uitgesloten; dat hield de weduwe voor zichzelf. Ook Puikzicht viel, evenals bijna alle buitenplaatsen, ten prooi aan de slopers. Het werd omstreeks 1787 ‘geheel afgebroken en geamoveerd

Tropische vruchten (Zie afbeelding 20.4.)

Rondom de buitenplaatsen lagen fraaie tuinen waaraan alle zorg werd besteed. De tuinen werden in de transportakten uitgebreid beschreven. De buitenplaats ‘Riethuijsen’ had aan weerszijden beplanting, waarvan in 1720 werd gezegd dat ze nieuw was aangelegd. De bevolkingsregistraties vermelden de namen van de tuinlieden die bij de buitenplaats woonden en daar verantwoordelijk waren voor het onderhoud. In de tuinen van Riethuijsen stonden allerlei gebouwen; een speelhuis, een schuitenhuis, stal en koetshuis. Maar ook, zoals bij Rhijnleeven in 1797, perzikkassen.

Bij de verkoop van een buitenplaats werden ook de tuin-ornamenten genoemd, de banken, tuingereedschappen. In de tuin van Jongen Rijn stond in 1744 een ‘pedestal’ met beeld, een prieel met potten erop en een bank in de tuin.

Afgaande op de beschrijvingen in de transportakten is wellicht de tuin van Lust Rust de mooiste geweest. Die tuin het aan tuinhuis, stal, koets- en tuinmanshuis, maar ook een voliére, prieelen en een tuinhuis. Om de tuin stond in de meeste gevallen een muur, waartegen allerlei vruchtbomen konden groeien, in de zon en uit de wind. De muur zal ook de inkijk hebben verhinderd van voorbijgangers en buren. Anderzijds wilde de eigenaar wel uitzicht hebben, met name over de Rijn. Bij de verkoop van Lust Rust aan de Koudekerkse kant van de Rijn in 1788 werd bepaald dat het uitzicht van die buitenplaats over de landerijen op het dorp Hazerswoude, dus aan de overkant van de Rijn, niet mocht worden belemmerd of gehinderd. De schutting die tussen huis Poelzigt aan de Hazerswoude kant en het jaagpad stond, mocht niet worden verhoogd. Ook de grond tussen de hoge Rijndijk en het jaagpad mocht niet zodanig worden gebruikt dat het uitzicht belemmerd zou worden.

Het interieur van de buitenplaatsen kan eenvoudigweg worden omschreven als ‘rijk en lux’. We weten nauwelijks hoe een buitenplaats er vanbinnen uitzag. Slechts fragmenten van beschrijvingen resteren. Bij de verkoop van Jongen Rijn in 1744 werden de behangsels afzonderlijk verkocht, evenals de spiegel in de schoorsteen. Riethuijsen had verscheidene kamers en vertrekken en van de stal werd gezegd dat er ruimte was voor vier paarden.

(Zie afbeelding 20.5.)

Bij een buitenplaats hoorde ook grondbezit, liefst met bijbehorende boerderij. Bij Paanderen hoorde zelfs een ‘kapitale boerenbruijker’. Dat moest ook wel want bij de buitenplaats hoorde maar liefst 25 morgen land die bewerkt moest worden. Een boerderij had het voordeel dat melk, vlees, fruit en groenten door de pachter konden worden geleverd. Soms was deze leverantie onderdeel van het pachtcontract. Er waren ook wat nadelen. Bij de verkoop van Vrijheid Bleijheid in 1735 moest de koper gedogen dat de gebruiker van de boerderij aan de overkant van de Rijndijk, de polderkant dus, aarde en ‘andere specie’ (mest) vanuit een schip in de Rijn door de tuin van de buitenplaats naar de boerderij mocht brengen. Gelukkig gold dit recht van overpad maar voor zes dagen per jaar.

 

Nieuwe trent

Anders dan de buitenplaatsen aan de Vecht die tot heden te bewonderen zijn, werden de meeste buitenplaatsen in Koudekerk en Hazerswoude aan het eind van de 18e en in de 19e eeuw afgebroken. Het was een gevolg van de veranderde mode; in de 19e eeuw werden buitenhuizen niet meer gebouwd aan water, maar op de zandgronden. Een tweede woning in een bosrijke omgeving kwam in de mode, en bos heeft onze omgeving nu eenmaal weinig. Een enkele keer was het niet de veranderende mode maar economisch gewin dat tot de ondergang van de buitenplaats leidde. Zo verkocht Hendrik van der Mark in 1800 de klei uit de grond van buitenplaats Withorst. Het zal het einde van de buitenplaats hebben ingeluid of wellicht hebben voltooid.

Wat in de meeste gevallen restte van de buitenplaatsen is de naam in de bewaard gebleven archiefstukken.