ca. 1400

Het Ruitenveen

De eerste pioniers

Tijd van steden en staten

Nieuwleusen bestond oorspronkelijk in hoofdzaak uit uitgestrekte en ontoegankelijke hoogveenmoerassen. Hoogveen ontstaat doordat in waterplassen veenmos groeit dat van onderen afsterft en van boven steeds weer aangroeit en zo dikke kussens vormt. Het veen was, afgegraven als turf, belangrijk voor de brandstofvoorziening, met name voor het nabijgelegen Zwolle. Omstreeks 1405 bestond het recht van "vrije turfgraven " voor het lagere gedeelte van de Rute. De gedroogde turf werd met kleine scheepjes via de Rutenwetering naar Zwolle vervoerd.

Zwols initiatief

In 1416 kreeg Zwolle van de bisschop van Utrecht, de landsheer van Overijssel en eigenaar van grote stukken veen in de Rute, toestemming om een grootschalige vervening in het Ruitenveen te starten. De stad liet de Rutenwetering verruimen, verdiepen en verlengen tot een echte turfvaart. Er werden drie schutten (sluizen) in aangebracht, een weg langs de vaart aangelegd en zijgreppels gegraven. Als tegenprestatie voor het graven van de Grote Hermel verkreeg Zwolle in 1417 een perceel hoogveen van circa 120 ha. Dit waren de Stadsvenen, grenzend aan de bisschoppelijke veengronden, ook wel het Heerenslag genoemd. In 1434 schonk Rudolf van Diepholt de stad Zwolle, vanwege de hulp bij zijn verkiezing tot bisschop van Utrecht, de woeste en onbewoonde veengronden in de Rute en aan de Hermelijn, die hij van het schoutambt Dalfsen afnam. Hij deed dit met de bedoeling dat het land ontgonnen en bewoond zou worden. De Zwolse schout kreeg de rechtsmacht over de kolonisten die zich er zouden vestigen en het vrije turfsteken werd wettelijk geregeld.

Afgegraven

Na het afgraven van het veen ontstonden weide- en hooilanden en werden boerderijen gebouwd. Zo wordt in 1650 Hendrik Swartjes als pachter in de Rute genoemd. De huidige Zwartjeslandweg herinnert daar nog aan. In de loop van de 16de eeuw was het meeste veen in de Rute afgegraven en de afwatering werd verwaarloosd. De Grote Hermel groeide dicht en het verder oostwaarts gelegen veen bleef onaangeroerd liggen. Tot in de 17de eeuw de waarde van de turf als brandstof zodanig steeg dat een nieuwe groep van pioniers ambitieuze ontginningsplannen maakte.