1631

De Leusener Compagnie

Ontstaan als veenontginning

Tijd van regenten en vorsten

Op 8 januari 1631 werd de Leusener Compagnie opgericht om de veengronden die hoorden bij de marke Leusen af te graven. De Leusener compagnie sloot een contract met de stad Hasselt over het uitdiepen van de Beentjesgraven om zich van een goede afvoer van de turf naar het Zwartewater te verzekeren. Daarbij werd vastgelegd dat andere verveners de vaart niet mochten gebruiken en dat Hasselt tolgeld mocht heffen.

Leeghwater

Niemand minder dan de beroemde waterstaatkundige Jan Adriaansz Leeghwater werd ingeschakeld om de vervening in goede banen te leiden. Hij maakte een plan hoe de kanalen en sloten moesten worden gegraven. De Beentjesgraven werd uitgediept tot de Plompen Kolk, een plas in het oosten op de grens van de marken Leusen en Varsen. Er kwamen drie sluizen in de vaart, elk acht meter lang en ruim vier meter breed. Aan de zuidkant van de tweede sluis bij De Lichtmis, aan het kruispunt met de Nieuwendijk, werd een sluiswachterwoning annex herberg gebouwd. Dat was een huis met rode pannen waar ook de vijf heren van de compagnie vergaderden, die daarom ook wel "Compagnie van de Ligtmis" werd genoemd.

Vooraanstaande heren

De vijf heren van de Compagnie waren vooraanstaande Overijsselaars. Sweder van Haersolte van Haerst was drost van Salland. Zijn zoon Rutger van Haersolte was burgemeester van Zwolle, Commissaris van de Monstering van Overijssel en later drost van Salland. Herman Roelinck was stadsgriffier van Zwolle en getrouwd met Elisabeth Mechteld Ripperda. Haar familie behoorde tot de grootste grondbezitters van Leusen. Jacob Wijfferdingh was stadssecretaris van Zwolle. Herman Bloemert tenslotte was burgemeester van Hasselt. De aanleg van het kanaal en de sluizen kostte veel geld, zodat in 1633 een zesde participant tot de compagnie toetrad. Dat was Roelof van den Clooster tot de Groote Weede, hoogschout van Hasselt.

Turfgraven

Na het bereiken van de Plompen Kolk begon men ook met het aanleggen van greppels in het Oosterveen. Die greppels dienden om het veen te ontwateren en te laten bezakken. Daarbij was het nodig gedurende zo'n 5 tot 10 jaar de greppels jaarlijks te verdiepen en te verbreden tot goede afwateringssloten. Er werd een kanaaltje naar het zuiden aangelegd. Verder werd er een kanaal in oostelijke en in westelijke richting gegraven dat uitkwam in de Hermelijn. Al meteen bij het graven van de kanaaltjes werd er een enorme hoeveelheid turf afgegraven. Daarna werden er zijwijken (vaarten) in het veen gegraven voor de verdere vervening.

Pioniers

In 1635 verleenden Ridderschap en Steden aan de Leusener Marke voor twintig jaar vrijdom van belasting en kon de bouw van boerderijen en de aanleg van wegen beginnen. De participanten van de Leusener Compagnie hadden in de Leusener marke zoveel boerenerven en grond gekocht dat ze grote invloed hadden op de noodzakelijke verdeling van de markegronden. Grofweg gezegd kregen zij het Oosterveen en de overige eigenaren van de Leusener marke, de zogenaamde erfgenamen, het Westerveen. De erfgenamen kregen toestemming van de Compagnie om zelf ook turf via de Beentjesgraven af te voeren. Er werd een dwarsweg door het broek naar Leusen aangelegd, de huidige Dommelerdijk, die min of meer de scheiding vormde tussen de gronden van de participanten (Oosterveen) en de erfgenamen (Westerveen). De ontginningsactiviteiten leidden tot een toestroom van pioniers naar het eens zo desolate gebied. Spoedig overvleugelde het nieuwe Leusen het oude dorp. Nog altijd herinneren de strakke patronen van wegen, wateren en weilanden aan het ontstaan van Nieuwleusen als veenontginning.