1885

Tuffend naar de toekomst

Trein en tram in Hardenberg

Tijd van burgers en stoommachines

Toen de eerste stoomtrein Gramsbergen binnenreed, zongen de schoolkinderen:

En we willen juichend zingen, als een groet aan de nieuwe tijd, die gelijk met de eerste spoortrein, ons oude stadje binnenrijdt.

Als beloning mochten ze meerijden naar Coevorden, het voorlopige eindstation van het spoortraject Zwolle‒Delfzijl dat op 1 juli 1905 bereikt was. Zo werd weer een stuk van de gemeente ontsloten via spoor- of tramrails.

N.O.L.S. in Hardenberg

Vanaf 1860 ging de staat zich bemoeien met de aanleg van spoorwegen. Er volgden grote projecten, zoals Leeuwarden-Zwolle (1868) en Zwolle-Groningen (1870). Voor onze streek was een spoorwegnet niet rendabel. De lokaalspoorwegwet uit 1878 gaf echter particuliere ondernemingen de mogelijkheid in dunbevolkte gebieden eenvoudige spoorwegen aan te leggen. Zo werd op 8 mei 1899 de Noordoosterlocaalspoorweg-Maatschappij (N.O.L.S.) opgericht. In de oprichtingsakte werd al gesproken over de aanleg van een lijn Zwolle‒Mariënberg‒Coevorden-Stadskanaal‒Zuidbroek‒Delfzijl met zijlijnen, onder meer van Mariënberg naar Almelo. Ter wille van de eigenaren van de turfstrooiselfabriek (die enkele aandelen hadden gekocht en grondpercelen hadden afgestaan) werd de spoorlijn met een boogje langs Bergentheim geleid. Mariënberg, Hardenberg en Gramsbergen kregen een stationsgebouw, ontworpen door architect E. Cuypers. Op 31 januari 1905 bracht een speciale trein de inrichting van de stationsgebouwen en het personeel naar hun bestemming en de volgende dag werd het traject Ommen‒Hardenberg in gebruik genomen. Enkele maanden later reed de eerste trein Coevorden binnen.
Vanuit Coevorden reden er dagelijks vier treinen over Hardenberg naar Zwolle. Daarbij deden ze ook een aantal stopplaatsen aan: Brucht, Baalder‒Radewijk, Beerse en De Haandrik. In 1906 kwam de lijn Mariënberg‒Almelo gereed. Als verbindingsschakel tussen beide spoorlijnen trok Mariënberg bijzonder profijt van deze nieuwe infrastructuur. Het dorp groeide als kool.

De Dedemsvaartse Stoomtramweg Maatschappij.

Tien jaar voordat de eerste trein Hardenberg aandeed, liepen er, vanuit Dedemsvaart, al rails door Heemse. Weliswaar was in 1865 aan de spoorlijn Zwolle-Meppel het station Dedemsvaart-Staatsspoor in gebruik genomen, vanwege de afstand naar het dorp (18 km!) was een voettocht van 4 uur nog zeker noodzakelijk. Langzamerhand ontstond de behoefte aan een regelmatige verbinding tussen Dedemsvaart en het spoorwegstation, niet alleen voor personenvervoer, maar ook voor allerlei vrachtgoederen en vee. In 1884 diende J.D. Ruys het plan in voor de aanleg van een stoomtramlijn vanaf het spoorstation door Avereest naar Hardenberg en langs de Lutterhoofdwijk naar Coevorden. De Staten keurden het plan goed en op 15 juni 1885 werd de N.V. Dedemvaartsche Stoomtramweg Maatschappij (D.S.M.) opgericht. De werkzaamheden aan de tramlijn verliepen voorspoedig en in het najaar van 1886 kon de eerste rit van station Dedemsvaart-Staatsspoor naar tramstation Avereest (Dedemsvaart-dorp) gemaakt worden, waardoor de mobiliteit enorm verbeterde. Hetzelfde jaar werd deze tramlijn doorgetrokken naar Heemse. Het tramlijnennetwerk werd al snel uitgebreid. Er kwamen verbindingen met Zwolle (1895), Coevorden (1897), Hoogeveen (1903) en Meppel (1908). Mensen die vanuit Dedemsvaart per tram naar Meppel wilden, moesten overstappen op station Balkbrug, dat tevens postkantoor was en een caféruimte had.

Opkomende concurrentie: autobus en vrachtwagen

Begin 1900 kwam het tramvervoer onder druk te staan. Niet alleen de stoomtrein Zwolle-Emmen werd een concurrent, ook de autobus (die hoe langer hoe meer het personenvervoer overnam), de auto en de vrachtauto werden dat. Zelfs de fiets kon met de tram concurreren vanwege de snelheid waarmee de laatste reed: ongeveer 20 km per uur. Een fusie in 1936 met de Eerste Drentsche Stoomtramwegmaatschappij (E.D.S.) mocht niet baten: in 1947 werd de laatste rit gemaakt. Meer dan een halve eeuw had de D.S.M. het vervoer langs de Dedemsvaart bepaald. Ook voor de treinen had de concurrentie van bus en vrachtauto, die makkelijker kleine plaatsen konden bereiken en goedkope tarieven hanteerden, consequenties. Om de reistijd korter te maken, werden veel stopplaatsen gesloten: eerst Brucht (1927), toen De Haandrik (1930) en tenslotte ook Radewijk en Beerse (1934). Ondanks felle discussies zijn de lijnen Zwolle‒Emmen en Mariënberg‒Almelo na meer dan 100 jaar nog steeds in gebruik.