Tabaksteelt

Rond 1610 werd de eerste tabak in Nederland geteeld. In 1660 is er sprake van tabaksteelt in Huissen en in 1676 in Bemmel. Al vrij snel gaat men er toe over om belasting te heffen op de handel in tabak.

Hiervoor werden tabakswagen ingericht waar men verplicht de tabak moest laten wegen. Er werden waagmeesters aangesteld om daarop toe te zien. Huissen had ook een waag. Er was daar waagdwang en er moesten uitvoerrechten worden betaald om de Huissense tabak in Arnhem te mogen verhandelen. Maar tot 1816 was er sprake van flinke smokkel.

Om de tabak in onze streken te kunnen laten groeien is een vorstvrije groeiperiode nodig van 90-120 dagen. Dit betekent dat als er vroeg gezaaid werd, de jonge plantjes goed tegen nachtvorst beschermd moesten worden. Maar de kans op schade aan het gewas door andere weersomstandigheden was ook groot. Zo wordt er in 1808 melding gemaakt van hagelslag in de tabak, ofwel schade als gevolg van hevig onweer met hagelstenen.

De tabaksbladeren werden geoogst, te beginnen met de onderste bladeren. In ieder blad werd een ongeveer 10 cm lange insnijding gemaakt door de middennerf zodat de bladeren aan spijlen geregen konden worden om te drogen. Dit gebeurde in zogenaamde tabaksschuren, met in de wanden ventilatieopeningen die opengezet konden worden. In de Betuwe, waar veel kleinschalige tabaksteelt was, lieten de tabaksplanters de tabak vooral drogen op de deel of de zolder van hun boerderijen.

Vanaf 1870 ging de tabaksteelt ten onder door de import van goedkope tabak uit Nederlands-Indië. Daardoor kwam  de glastuinbouw er voor in de plaats.