1426/27-1514

Suster Bertken, kluizenares

Laatmiddeleeuwse devotie

Ergens rond 1426 werd Berta Jacobsdochter geboren. Ze werd beroemd als Suster Bertken omdat ze zich de laatste 57 jaar van haar leven opsloot in een klein kamertje, een kluis, dat tegen de muur van de Buurkerk was gemetseld.

Bertken was een bastaardkind van de hoge geestelijke Jacob van Lichtenberg. Hoewel het officieel verboden was, kwam het in die tijd wel vaker voor dat een geestelijke met een vrouw samenleefde en kinderen had. Bertken kreeg een goede opleiding, wat in de middeleeuwen uitzonderlijk was voor meisjes. Ze was een zeer devote vrouw en trad waarschijnlijk toe tot het Jeruzalemconvent, dat onder invloed van de Moderne Devotie stond.

Op haar dertigste liet Suster Bertken zich vrijwillig insluiten in een klein kamertje in de muur van de Buurkerk. Dit betaalde ze zelf van de erfenis van haar overleden vader. Ze beloofde de rest van haar leven in afzondering te wijden aan God en gehoorzaam te zijn aan de bisschop. Haar leefomstandigheden waren Spartaans: de kluis was niet verwarmd, ze droeg een grof haren kleed met daar overheen een eenvoudige grijze rok, liep op blote voeten en onthield zich van vlees en zuivel. Vanuit haar kluis kon ze de kerk inkijken en zo deelnemen aan missen en getijdengebeden. Verder hield zij zich bezig met Bijbellezen, gebed, meditatie, studie en handwerk. Via een ander raam hield zij contact met de buitenwereld. Daar kwamen regelmatig mensen langs om haar om raad te vragen. Suster Bertken schreef twee boekjes. Zij was de eerste Nederlandse vrouw van wie teksten in druk verschenen.

Suster Bertken was alom bekend en genoot veel aanzien. Ze werd op haar verzoek na haar dood begraven in de kluis en na een verbouwing herbegraven in het Kruiskoor van de Buurkerk. Na afbraak van dit deel van de kerk werd hier de Choorstraat aangelegd.

Er waren in Utrecht meer devote personen die zich net als Suster Bertken lieten inkluizen. Zo woonde Alyt Ponciaens tussen ca. 1460 en 1490 in een kluis in de Jacobikerk. Deze kluizenaars wilden zich geheel aan God wijden. Ze geloofden ook dat ze door een godvruchtig leven hier op aarde voor zichzelf en voor hun voorouders een plekje in de hemel konden verdienen.