1730

Sodomietenvervolging

De ontdekking van een subcultuur

Het begon met een verklaring die de Domtorenkoster Josua Wilts op 12 januari 1730 tegenover de Utrechtse rechtbank aflegde: de grootste homovervolging die Nederland ooit gekend heeft. Wilts deed zijn verklaring waarschijnlijk in een poging om zijn eigen huid te redden, nadat hij door overmatig drankgebruik in een verbeterhuis terecht dreigde te komen. Hij vertelde de rechtbank dat hij zo'n zes maanden eerder twee mannen had betrapt terwijl ze seks hadden in de Michaëlskapel in de Domtoren. Hij had het samen met twee van zijn kinderen eens goed bekeken door het hijsluik in zijn erboven gelegen kosterswoning. Vervolgens maakte hij een eind aan de vertoning door eerst met een pistool naar beneden te schieten en daarna achter de kerels aan te gaan. Ondanks dit ferme optreden bleef de kapel in trek als cruising gebied.

De rechtbank nam de beschuldigen zeer serieus. Al de volgende dag werden de mannen opgepakt. Eén daarvan, kalkdrager Gilles van Baaden, ontkende aanvankelijk maar bezweek onder de druk van de ondervragers en sloeg door. In de weken daarop volgden nog meer arrestaties en uit alle nieuwe bekentenissen bleek dat er een subcultuur bestond van mannen die elkaar door het gehele land heen regelmatig voor seks ontmoetten. Het ging daarbij om personen uit alle sociale lagen: van knechten, sjouwers en soldaten tot kooplieden, notarissen en leden van het patriciaat.

Ze ontmoetten elkaar op vaste plekken. In Utrecht was dat in en om de Domtoren, in de pandhof van de Domkerk, op het Janskerkhof, het Vredenburg en op de stadswallen. Op 5 mei lichtte de Utrechtse rechtbank de andere stedelijke en provinciale gerechten in, waarop arrestaties volgden in verschillende steden in de Republiek. In de daaropvolgende twee jaar werden maar liefst zo'n driehonderd mannen vervolgd, waarvan er ongeveer tachtig ter dood werden veroordeeld. Onder die terdoodveroordeelden waren minstens vijf Utrechters. Eén daarvan was de door de torenkoster verlinkte Gilles van Baaden die op 31 maart 1730 in de kelder van huis Hasenberg, dat tot het toenmalige stadhuis behoorde, werd gewurgd.