1273-1528

Gildendemocratie

Een weerbare middenstand

In de middeleeuwen waren de ambachtslieden verenigd in gilden. Alleen wie lid was van een gilde, mocht in de stad zijn beroep uitoefenen. Er waren gilden van bakkers, van leerlooiers, van schoenmakers, van smeden, van zakkendragers en nog vele andere beroepsgroepen. In 1341 waren er 21 gilden in Utrecht. De leden van zo'n gilde maakten onderlinge afspraken over de werktijden, de prijzen, de kwaliteit en de opleiding van leerlingen.

In Utrecht hadden de gilden ook invloed in het stadsbestuur. Ze namen soms zelf de macht over, zoals tijdens de boerenopstand in 1273. In Utrecht waren de rijke kooplieden en de stadsadel, de patriciërs van de stad, onderling verdeeld. Sommigen hoorden bij de partij van de Fresingen, anderen bij de Lichtenbergers. Geen van deze partijen kon op eigen kracht de macht in handen krijgen. Daarom probeerden ze de gilden aan hun kant te krijgen. Die kregen daarmee een machtige rol in het stadsbestuur. Hiervan getuigt onder andere de eerste Utrechtse gildebrief uit 1304.

De belangrijke rol van de gilden wekte ook verzet op. Soms werden gilden daarom verboden. Het verzet tegen de gildemacht leidde uiteindelijk tot gewapend ingrijpen in 1526 door edelen en kanunniken, die daarmee de gilden onderwierpen. De bisschop dreigde vervolgens met de bouw van een dwangburcht om de gilden gehoorzaamheid van de gilden af te dwingen. Een dwangburcht is een kasteel in de stad, van waaruit de bisschop soldaten kon sturen om eventuele opstand te onderdrukken. Het dreigement werkte. De gilden onderwierpen zich aan het gezag van de bisschop. Ze weigerden echter dat schriftelijk vast te leggen. De bisschop vertrouwde de zaak niet en vroeg aan keizer Karel V om hulp. Die stuurde troepen, maar ging een stap verder dan de bisschop in gedachten had. Karel eiste zelf het bestuur van Utrecht op. Daarmee verloor de bisschop de zeggenschap.