17e - 19e eeuw

Buitenplaatsen

Rijk wonen buiten de stad

In de zeventiende eeuw door de handel rijk geworden Amsterdamse kooplieden lieten niet alleen aan de Vecht grote buitenhuizen bouwen. Ook in Eemland en in de Gelderse Vallei verrezen prachtige huizen en landgoederen. Bij Baarn werden De Eult en Groeneveld gebouwd. Toen de Oranjes eigenaar werden van Soestdijk en dit jachtslot uitbreidden, raakte dit gebied helemaal in de mode. Ook in de achttiende eeuw zette de bouw van buitenplaatsen door.

Al rond het midden van de zeventiende eeuw waren ook op andere plaatsen in Eemland indrukwekkende huizen verrezen. Zo liet Johan van Rede in 1654 bij het nieuwe dorpje Renswoude een kasteel bouwen. In Soest werd Heuvel en Dael gebouwd door de steenrijke Amsterdamse koopman Guillelmo Bartolotti van den Heuvel. Ook rondom Amersfoort gingen rijke burgers in het groen wonen: denk aan Randenbroek waar Jacob van Campen verbleef. Ook de huizen Gansenweij, Claverenblad, Vlooswijk, Brinkhorst en Wijnbergen bevonden zich hier. Op de plek van het oude klooster van Ansfried werd de buitenplaats Heiligenberg gebouwd en ook de zonderlinge Everard Meyster bouwde diverse buitenplaatsen. Rondom Baarn en Eemnes stonden eveneens enkele grote zomerhuizen.

Een poging om op de percelen langs de nieuwe weg tussen Amersfoort en Utrecht een buitenplaatsenlandschap te stichten, bleek minder succesvol. De grote kavels trokken slechts weinig kopers en maar een handjevol landgoederen werd hier gesticht.

Tussen 1712 en 1734 groeide Den Treek bij Leusden uit van een boerderij tot een echte buitenplaats. Het was toen eigendom van Everard van Weede, heer van Dijkveld en een goede vriend van de Oranjes. Later werd de buitenplaats uitgebouwd door Willem Hendrik de Beaufort, die in 1807 eigenaar werd. Hij knapte het landhuis op, legde vijverpartijen aan en begon met de ontginning van heidevelden. Hij was zeer geïnteresseerd in landbouw. Zoals zovele buitenplaatseigenaren probeerde hij zijn luxe bezit ook economisch rendabel te maken.