1668

Meester Valckenaar

Het eerste onderwijs in Weerselo

Tijd van regenten en vorsten

In de 16de eeuw was er voor het eerst sprake van onderwijs in Weerselo. Kroniekschrijver Sweder Schele van de havezate Weleveld bij Zenderen schrijft dan over zijn zuster Anna dat zij "in erste joget" (in haar kinderjaren) in Weerselo naar school is gegaan. Anna was in 1559 geboren, dus moet er rond 1565 al onderwijs op het Stift gegeven zijn. De daar wonende jufferen zullen waarschijnlijk deze taak op zich genomen hebben. Jannes Valckenaar werd in 1668 door de classis van Deventer mogelijk als eerste tot schoolmeester voor Weerselo benoemd. Een classis was een regionaal verband van Nederlands Hervormde gemeenten. In 1676 ontving zijn opvolger Joannes Arsenius al
f 50,‒ jaarsalaris uit de provinciale overheidskas. Tot in 2001 heeft het Stiftschooltje bestaan. Toen was, met nog twee ingeschreven leerlingen, aan sluiting niet meer te ontkomen.

Deurningen, Hasselo en Gammelke

Ook in Hasselo en Deurningen moet al vroeg onderwijs gegeven zijn, want de classis van Deventer stelde rond 1630 Balthasar Hilvert aan als schoolmeester van "Hassel ende Dorningen". De bemoeienis van de classis bij de aanstelling van schoolmeesters in het katholieke Twente had een bedoeling. Het provinciebestuur schreef in 1680 dat "de schooldienst een der voornaamste middelen is om de eenvoudige menschen tot de goede beginselen der kennisse te brengen en om te ontwaken uit de onwetenheijt des pausdoms tot kennisse der waarheit". Cornelis Vosmer mocht de markejeugd in het katholieke bolwerk op andere gedachten brengen. Maar de boerenbevolking liet zich niet door de nieuwe leer overtuigen. Naar Twentse aard werd dat wat vertrouwd was niet zomaar aan de kant gezet. Zelfs de zoon en opvolger van Cornelis, Berend, was al vóór zijn aanstelling gehuwd met de roomse Geesken Weegink uit Hasselo. Bij de volkstelling van 1809 woonden in deze drie marken 1522 personen waarvan met uitzondering van één persoon iedereen tot de "Roomsch Catholieke kerk" behoorde.

Dulder en Klein Driene

Bernardus Nijkamp was in Dulder vanaf 1758 de eerste schoolmeester. Daarvoor togen de kinderen van Dulder naar het Stiftsschooltje, maar 's winters wensten de bewoners "hare kleine en tedere kinderen" daar niet naar toe te sturen vanwege het gure weer en de slechte wegen. Bovendien was het een uur gaans.
In de marke Klein Driene financierde de provincie vanaf 1774 een schoolmeester. De eerste was Peter Amama, een gepensioneerd officier die geschikt bevonden was wegens voldoende antwoorden op vragen betreffende de grondwaarheden van de hervormde godsdienst.

Volthe, Rossum en Lemselo

In 1778 stelde de provincie een traktement van f 25,‒ beschikbaar voor een schoolmeester in Volthe. In 1786 was er twijfel of er wel werkelijk school werd gehouden. Maar onderzoek wees uit dat Hermen Grijp in Olde Smijink "in 't vorige winter eenige weinige kinderen in d'eerste beginselen onderweezen heeft gelijk hij nog in dit winter ook doet". Volgens de verklaring van de meester kreeg hij wel eens wat aardappelen en brandstof. Hij had dat nodig omdat bij hem in huis een zuster van zijn vrouw woonde die krankzinnig was en "aan een keeten leid". Als hij dit werk niet zou mogen doen, dan was hij wel bereid ervan af te zien! Gerrijt Bonke werd in 1789 zijn opvolger. Hij gaf les aan de kinderen van Volthe en Rossum. In een "Staat van behoeften voor het schoolonderwijs in de gemeente Weerselo" uit 1815 staat voor Lemselo een zekere Bruinink als onderwijzer genoteerd voor f 50,- per jaar.

In barre omstandigheden voor de klas

Veel ruimte hadden de leerlingen niet in de scholen. In vertrekken van 7 bij 5 m werden 40, 60, soms wel 120 kinderen op elkaar gepropt. Een aantal stoven moest voor warmte zorgen. Maar die rookten nogal en dat had tot gevolg dat "de lugt binnen weinige ogenblikken zo verpest wordt dat men er zomtijds de sterkste kinderen door flauwten ziet overvallen en de gezondheid van allen daardoor aanmerkelijk moet lijden". De schoolmeesters in de vroegere eeuwen stonden meestal niet zo gunstig bekend. In veel gevallen was hij "gewoonlijk den eenen of anderen meijer (boerenzoon of -knecht) die men uit den hoop nam, die alleen in den winter de plak zwaaide, maar des zomers dit teeken van oppermagt met de spade of plaggenzicht verwisselde", zoals nog in 1838 werd beweerd. Of, zoals een onderwijsinspecteur opmerkte "dat uit de harsens van menschen wier eigen opvoeding is verwaarloosd geworden, niets kan voortkomen dat geschikt zijn zoude om het verstand van anderen te vormen".