ca. 1820

Turf en schelpen

De kalkbranderijen

Tijd van burgers en stoommachines

Het gezegde "In 't veen ziet men niet op een turfje" kon men in de 19de-eeuwse hoogveengebieden van de gemeente Hardenberg letterlijk nemen: de brandstof "lag voor het oprapen". En die brandstof kwam goed van pas bij een industriële activiteit die hier in die tijd opbloeide: de kalkbranderij.

Het belang van kalk

Natuursteen had je in ons land amper, maar van de grote hoeveelheden rivierklei konden stenen en dakpannen gebakken worden. Toen er aan het begin van de 19de eeuw in bijvoorbeeld Dedemsvaart een begin gemaakt werd met de bouw van stenen woningen, winkels en boerderijen ontstond er grote behoefte aan deze bouwmaterialen. Ze moesten van elders worden aangevoerd, wat vrij gemakkelijk kon gebeuren doordat de (turf)schippers ze als retourvracht meenamen. Om de bakstenen muren stevigheid te geven, had je specie nodig, een mengsel dat bestond uit zand, baksteengruis en kalk. Die kalk werd gemaakt van schelpen, die in ruime mate aanwezig waren bij de kust. Niet alleen voor de bouw, ook bij de sodabereiding in de chemische industrie werd kalk gebruikt. En kalk bleek ook uitstekend bruikbaar te zijn om de ontveende, zure dalgrond geschikt te maken voor de landbouw. Een experiment in Bergentheim, waarbij ladingen mosselschelpen over het land waren gegooid, leverde tijdenlang stank- en meeuwenoverlast op, maar met de kalk van de familie Botter werden betere resultaten geboekt.

Een gunstige ligging

De meeste kalkovens waren te vinden langs de kust en in de veengebieden: daar trof je immers de grondstof (schelpen) dan wel de brandstof (turf) aan. Vanwege een gemakkelijke afvoer van het eindproduct werd een branderij bij voorkeur aan het water gevestigd. Zo lag de kalkoven van Botter in Bergentheim aan de mond van de Van Riggelenswijk.
In Dedemsvaart liet baron Van Dedem al omstreeks 1820 enkele kalkovens bouwen aan een dwarswijk van de Langewijk. Die dwarswijk kreeg daardoor de naam Kalkovenswijk. Veel van de hier gefabriceerde kalk werd naar Noord-Holland verscheept. In 1877 werd bij De Krim een kalkoven gebouwd. De schelpenschepen legden aan bij de Lutter Hoofdwijk en de schelpen werden vervolgens op een praam via de Kalkwijk verder getransporteerd naar de oven.

Van schelpen tot kalk

Schelpen en turf werden met behulp van manden of kruiwagens in lagen in de oven aangebracht. De benodigde zuurstof kwam binnen door luchtgaten in de zijwand en via het luchtkanaal midden in de oven. Het vuur zorgde ervoor dat het koolzuur uit de schelpen verdween. De ongebluste kalk werd uit de oven gehaald en in het les- of blushuis met water overgoten. Dat water veroorzaakte een chemische reactie waardoor de schelpen in stof uiteen vielen. Vervolgens werd deze gebluste kalk gezeefd om grove en ongebrande delen te verwijderen. Dan was het eindproduct gereed om te worden verkocht. De drie ovens uit Dedemsvaart waren samen iedere dag goed voor bijna 70 kubieke meter kalk. Tussen 1850 en 1880 waren er in Dedemsvaart vier bedrijven actief in de kalkbranderij met samen maar liefst twaalf kalkovens.

Wat behouden bleef

De opkomst van de cementindustrie en de import van goedkope (steen)kalk betekenden het einde van de kalkovens in Nederland. Toen tegen het einde van de jaren 60 van de vorige eeuw de Dedemsvaart werd gedempt, viel in 1969 ook het doek voor de kalkbranderijen. De oude kalkovens van Van Dedem zijn inmiddels gerestaureerd en het leshuis doet nu dienst als oudheidkamer. De oven in De Krim is nog in gebruik geweest tot begin jaren zestig. De Kalkwijk werd in 1964 gedempt. Vanaf 1981 is de gerestaureerde oven in bezit van de Vereniging Plaatselijk Belang De Krim en sinds 2000 heeft hij de status van gemeentelijk monument. Van de kalkoven in Bergentheim is niets meer terug te vinden: die is vlak na de Tweede Wereldoorlog afgebroken.