1761

De laatste rustplaats

Begraafplaatsen in en om Hardenberg

Tijd van pruiken en revoluties

In 1766 overleed Israël Emmanuel, de grondvester van de joodse gemeenschap van Hardenberg. Hij werd begraven op een eeuwenoud kunstmatig heuveltje aan de oever van de Vecht. De "terp" werd daarna de eigen begraafplaats van de gemeenschap en is nu één van de merkwaardigste joodse begraafplaatsen van Nederland.

Het Jeudenbarchien

Volgens de joodse religieuze wetten zijn lijken onrein en behoren daarom niet binnen de bebouwing begraven te worden. Als in de wintermaanden de Vecht buiten haar oevers trad, vonden de begrafenissen plaats per boot. Als het vroor, kon men de overtocht doen met een slee. Nadat Rozetta Polak in 1894 haar laatste rustplaats op het heuveltje had gevonden, was de begraafplaats vol. Omdat "de doden eens weer zullen herleven" (Maimonides) wensen de joden een "eeuwig graf". Dat maakt het onmogelijk graven te ruimen. Daarom werd omstreeks 1910 een nieuwe joodse begraafplaats aan het "Mulopaadje" in gebruik genomen. In de loop der jaren kreeg de 500 vierkante meter grote heuvel de naam "Jeudenbarchien" (Jodenbergje). Er zijn nu nog 64 grafzerken aanwezig. Sinds 2000 is de begraafplaats rijksmonument.

In de kerk of ernaast?

Vanaf de Middeleeuwen werden belangrijke personen (adel en geestelijkheid) in de kerk zelf begraven. Zo vinden we in de Hervormde kerk in Gramsbergen de grafzerk van Statius van Aeswijn, heer van Gramsbergen (gestorven 1607) en diens vrouw. In het witte of Lambertuskerkje in Heemse bevinden zich grafstenen uit de 15de tot 18de eeuw waaronder een zwaar beschadigde priesterzerk met het opschrift "Int jaer ons Heren 1525 [...] Gheert Moll pastor in Hee(m)se". Kloosters hadden vaak hun eigen begraafplaats. Het graf van Gurte Hertweghe van Swolle uit 1501 in Sibculo is het oudste uit de gemeente. Burgers en boeren moesten heel lang genoegen nemen met een plek op het kerkhof. Op het oudste deel van het kerkhof van Oud-Avereest vinden we nog een achttal zogenaamde "familieblokken". Hier liggen leden van de boerenfamilies die eeuwenlang woonden in de gehuchtjes langs de Reest. In Hardenberg bevindt zich nog een heel oud kerkhof waar al sinds het stichten van een kapel (ca. 760) begrafenissen plaats vonden: het kerkhof Nijenstede. Het oudst bewaarde graf dateert uit 1656 en behoort toe aan burgemeester Woelert Willems.
Vanaf 1829 was het begraven in de kerk in Nederland definitief verleden tijd. Dominees klaagden omdat de begrafenissen tijdens hun diensten moesten plaatsvinden, artsen vonden het vanuit oogpunt van hygiëne niet meer verantwoord. Bovendien was er in de kerken "plaatsgebrek" ontstaan.

Ruimtegebrek en stankoverlast

Ook het kerkhof Nijenstede kampte met ruimtegebrek. In het begin van de 19de eeuw was de begraafplaats eigenlijk te klein om alle doden - gemiddeld zestig per jaar - te kunnen bergen. Het probleem was dat het kerkhof te hoog lag, waardoor de lijken niet binnen vijf jaar vergingen, maar er wel acht jaren voor nodig waren voor ze geruimd konden worden en er weer plaats was voor nieuwe, zo lezen we in een brief van burgemeester Van Riemsdijk uit 1811. In een brief uit 1886 reageerde de geneeskundig inspecteur voor Overijssel op een klacht over de begraafplaats waar volgens de klager "voor de tiende maal in hetzelfde graf een lijk (wordt) bijgezet, en ten gevolge van die overvulling die begraafplaats vooral in den zomer een onmisstaanbare stank verspreidt". Wel was er in 1871 een nieuwe, gemeentelijke begraafplaats aangelegd, maar daar wilde niemand begraven worden (het al aangekochte graf waar de rest van de familie lag, bevond zich immers op Nijenstede!), zodat men in 1898 de grond weer verkocht.

Lijkwagenverenigingen

Omdat de begraafplaatsen in 19de eeuw steeds vaker buiten de steden kwamen te liggen, begon men met het oprichten van Lijkwagenverenigingen, de voorlopers van de huidige begrafenisondernemingen. Leden ervan kregen bij de begrafenis een wagen, inclusief voerman en paard, tot hun beschikking. De contributie van de Hardenbergse Lijkwagenvereniging, opgericht in 1914, bedroeg 40 cent per jaar per gezin. Een begrafenis derde klas binnen een straal van drie kilometer rond de begraafplaatsen van Heemse en Hardenberg was gratis, daarbuiten moest worden bijbetaald.