1708

Als de rode haan kraait

Grote brand Hardenberg

Tijd van pruiken en revoluties

Op de avond 8 mei 1708 was Aaltje Kraak bezig met het verstellen van de hoozen (broek) van haar zoon. De spullen die ze nodig had lagen in de bedstee. Bij het vlammetje van haar olielamp zocht ze naar een geschikt lapje. Dit werd haar en de Hardenbergers noodlottig. Het stro vatte vlam en in een oogwenk stond haar huisje in brand. Aangewakkerd door een felle oostenwind werd het hele stadje Hardenberg in anderhalf uur in de as gelegd. Slechts vier van de 109 huizen, de kerk, de klokkentoren en het schooltje op de Eiermarkt bleven gespaard. Gelukkig vielen er geen slachtoffers onder de bewoners, zelfs niet onder hun dieren. Uit de hele omgeving kwam hulp. Zo kwamen er hulpgoederen uit Uelsen (een halve last rogge, 27 broden en 2 potten boter, een dag later 80 broden, en 9 zijden spek) en uit Ootmarsum (3 tonnen bier, linnen, geld, zaad, spek en vlees). Ook werden er door het hele land collectes gehouden die flink wat opleverden en binnen het jaar was het stadje herbouwd.

Maatregelen

Voor verlichting en voor koken was men vroeger aangewezen op open vuur. 's Nachts smeulde er vaak een kooltje dat de volgende ochtend weer gebruikt kon worden om het vuur aan het maken. Omdat de huizen nog uit hout en stro bestonden en in de stad dicht op elkaar stonden, was brand een geduchte vijand. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de overheid tal van maatregelen nam om brand te voorkomen. Zo werden "vuurheren" aangesteld die ervoor moesten zorgen dat de veiligheidsvoorschriften werden nageleefd. Iedere burger in Hardenberg moest een "ijshake" en een leren emmer in huis hebben. Er werd regelmatig gecontroleerd of die aanwezig waren. Met de ijshaak moesten ijsschotsen op de Vecht kapot worden gehakt, zodat de brug niet vernield kon worden door kruiend ijs. Met de emmer moest men bij brand naar de Vecht rennen, twee doorgeefrijen vormen en de gevulde emmers zo snel mogelijk in de richting van de brandhaard dirigeren (en de lege terug, natuurlijk).

De grote stadsbranden

In 1708 was er echter geen houden meer aan, evenmin als bij de grote stadsbranden in 1497 en 1536. De brand in 1497 was veroorzaakt door blikseminslag, daar kon je als mens weinig tegen doen! Niet voor niets vinden we in Hardenberg nog een gevelsteen (in de zijgevel van een huis in de Voorstraat) met de tekst "Soo de Heere de stadt niet en bewaert, tevergeefs waeckt de wachter". De "wachter" was de nachtwaker, die er op zijn ronde onder andere op toezag dat alle vuren gedoofd waren. In 1708 werd er door de magistraat nog een extra maatregel genomen. Er werd besloten dat huizen voortaan een pannendak moesten hebben. Immers: "de groote distructie is voor het meeste gedeelte door het stroodack veroorsaakt". Dekte iemand toch zijn huis met stro, dan mochten medeburgers dat van zijn dak aftrekken!

Spuit 1

In 1760 schafte stad Hardenberg een echte brandspuit aan. Er kwam een nieuwe verordening waarin de burgemeesters tot brandmeesters werden benoemd. Ook werden er acht pompers aangesteld, die met de meeste spoed bij de brand moesten komen. Alle ingezetenen moesten helpen en hun eigen emmer meenemen. Geen emmer bij je? Dan een boete van één goudgulden! De brandspuit moest twee keer per jaar uitgeprobeerd worden en bij het proefspuiten zou tevens oefening gehouden moeten worden met de hele of gedeeltelijke burgerij met een emmer, "om haer te onderwijsen in het gedragen en toebrengen van het water en het verder vereischte te bezorgen ten einde in casu van nood een ieder daarop gevat is". Nog lange tijd zou brandblussen hoofdzakelijk handwerk blijven en er zou nog heel wat water door de Vecht moeten vloeien voor de hedendaagse tankautospuiten en hoogwerkers door Hardenberg reden.