1636 - 1637

Tulpenmania

Tijd van ontdekkers en hervormers

De stadsbestuurders van Haarlem namen begin mei 1637 een ongewoon besluit: zij verboden rechters, advocaten en deurwaarders nog langer zaken over tulpen en tulpenbollen in behandeling te nemen. De maatregel was een noodgreep om de chaos te bezweren die in februari was losgebroken nadat de handel in tulpenbollen als een zeepbel uit elkaar was gespat. Partijen bollen die op papier een vermogen kostten, bleken opeens niets meer waard. Honderden burgers en kleine beleggers hadden bij de crisis al hun geld verloren. Ze probeerden nu tevergeefs bij de verkopers verhaal te halen. In pamfletten en spotprenten werd de draak gestoken met de dwazen die zich hadden laten meeslepen door de 'tulpomanie'. In hun hebzucht en hoogmoed hadden zij zich laten verleiden tot handel in wind.

Tulpen waren aan het begin van de zeventiende eeuw nog een exotisch en kostbaar goed. De eerste bollen waren in de tweede helft van de zestiende eeuw door Westerse reizigers uit Turkije ingevoerd in Europa. De Leidse botanicus Carolus Clusius kreeg in 1593 een paar tulpenbollen toegestuurd, die hij plantte in de Leidse Hortus.

De exclusieve bloem trok al snel de aandacht van rijke stedelingen. Zij begonnen bollen te kopen om op hun buitens of in de tuinen van hun grachtenhuizen te planten. Het kweken en bemachtigen van nieuwe, bijzondere variëteiten werd onder de 'happy few' binnen de kortste keren een rage. Zeldzame soorten bleken hun gewicht in goud waard. De Amsterdamse stadspensionaris Adriaan Pauw, eigenaar van Huis te Heemstede, kreeg in 1625 voor een bol van de felbegeerde Semper Augustus 3000 gulden geboden. Dat was de prijs van een aardige buitenplaats, en tien maal het jaarinkomen van een geschoolde ambachtsman. Pauw sloeg het aanbod af.

Ten zuiden van Haarlem hadden zich, langs de Wagenweg en de Kleine Houtweg, intussen de eerste professionele bollenkwekers gevestigd. Ook rond Alkmaar en Hoorn werden tulpen gekweekt. Maar met het stijgen van de prijzen gingen steeds meer buitenstaanders zich met de tulpenhandel bemoeien. Bloembollen lieten zich vrij eenvoudig vermeerderen, anders dan kostbare verzamelobjecten als schilderijen of Chinees porselein. Wie er in slaagde een bijzondere variëteit op te kweken, kon naast flinke winsten rekenen op status en aanzien. Ook voor kleine kopers als winkeliers en linnenwevers leek rijkdom en stijging op de sociale ladder zo opeens binnen handbereik.

Speculanten, de zogeheten 'floristen', roken hun kans en gingen tulpenbollen die nog in de grond zaten, op papier doorverkopen. In herbergen en tapperijen organiseerden zij beurzen die vaak eindigden in uitgelaten drinkgelagen. De prijscontracten gingen tijdens deze 'colleges' van hand tot hand, telkens met meer winst. Tijdens de beurzen in het najaar ging het bij deze termijnhandel of handel in futures steeds vaker om bollen die niemand nog in bloei had gezien.

In de laatste maanden van 1636 bereikte de tulpenkoorts een hoogtepunt. Honderden kleine kopers hadden zelfs hun huisraad beleend om mee te doen. Maar op 3 februari 1637 stortte de handel in de Haarlemse 'colleges' plotseling in. Een grote partij bollen bleek onverkoopbaar. In Alkmaar werden twee dagen later in de Oude Doelen nog de alllerhoogste prijzen ooit gemaakt. De duurste tulp, de Admirael van Enkckhuizen, verwisselde op papier voor meer dan 5000 gulden van eigenaar. Maar de paniek was niet meer te stoppen. In de weken erna klapte op alle beurzen de verkoop in elkaar. Het betekende een abrupt einde van de 'tulpomanie'.

De tulpenwindhandel is vaak beschreven als de eerste grote speculatiegolf in de geschiedenis. Behalve voor de deelnemers die berooid achterbleven, vielen de gevolgen echter mee. De Hollandse bloembollenteelt kwam pas in de periode erna echt tot ontwikkeling. De tulp bleef een gewilde en kostbare bloem, maar de bollen werden voortaan verhandeld tegen reële prijzen. Haarlem en de omringende dorpen groeiden uit tot het bollenteeltgebied bij uitstek. Tot in de negentiende eeuw de telers hun bedrijven naar het zuiden uitbreidden en Hillegom en Lisse de eerste plaats overnamen.