1850 - 1900

Kustvisserij

Tijd van burgers en stoommachines

Het Visserspad door de duinen van Zandvoort naar Overveen is tegenwoordig een populaire wandelroute. Niet iedere wandelaar zal beseffen dat hij het spoor volgt van Malle Kee en honderden andere vissersvrouwen die hier dagelijks met zware manden vol verse vis op hun rug naar Haarlem liepen. Bij de 'kousenpaal' in de Zandvoortse Kostverlorenbuurt trokken zij hun muiltjes of klompen uit en ploegden blootsvoets of op kousenvoeten met hun zware last door het mulle duinzand. Bij De Blinkert en de oude herberg Kraantje Lek werd er gerust en ging het schoeisel weer aan, voor het laatste eind over de verharde weg naar Haarlem. Daar ventten de vrouwen hun waar uit langs de huizen of op de vismarkt. Nog in 1881 kwamen elke dag 300 van deze 'vislopers' naar de stad. Op de terugweg pakten zij een neut bij het Hof van Holland in het Ramplaankwartier, dat vanwege de buiten wachtende visemmers ook wel 'De Stinkende Emmer' werd genoemd.

Zandvoort lag in de beschutting van de oude 'voorde' of doorsteek door de duinen die het dorp zijn naam had gegeven, maar had net als de andere Kennemer kustdorpen geen haven. Bij vloed zeilden de vissers uit en bij vloed keerden ze terug, waarna de schepen over de zandbanken en door de branding op het strand werden getrokken. Gevist werd er vlak onder de kust met kleine bomschuiten of pinken. De vangst, vooral schar, schol en andere platvis, maar ook haring en grotere rondvis als schelvis en kabeljauw, werd na thuiskomst in sneessies (porties) op het strand te kijk gelegd en meteen geveild. De afnemers waren vooral de vrouwen die de vis naar de stad brachten, terwijl de mannen weer naar zee vertrokken. Vrouwen en kinderen verdienden wat bij met het breien van netten en werk als het pellen van garnalen.

Eeuwenlang leefde zo vrijwel de hele bevolking van dorpen als Zandvoort, Wijk aan Zee, Egmond en Bergen direct of indirect van de visserij. Een deel van de mannen verdiende daarnaast een karige boterham met schulpen, het met schepnetten opvissen van schelpen die bestemd waren voor de kalkbranderijen, de glasindustrie en de aanleg van wegen. Namen als 'Schulpweg' en 'Schulpvaart' herinneren nog aan de route die de schelpenvissers vanaf het strand per kar of schuit met hun lading aflegden. In Schoorl was een deel van de bevolking betrokken bij het onderhoud aan de Hondsbossche Zeewering, wat een redelijke verdienste opleverde. De strandjutterij, het bergen en verzamelen van verloren lading of de restanten van vergane schepen, betekende voor de kustbewoners als de kans zich voordeed een welkom extraatje.

Aan de strandvisserij en het eeuwenoude, kleinschalige vissersbedrijf in de kustdorpen kwam op het laatst van de negentiende eeuw een eind. De bomschuiten konden de concurrentie met de nieuwe grote loggers en stoomtrawlers niet aan. Een deel van de vissers vertrok naar IJmuiden waar ze op de grotere vissersschepen gingen werken, al waren de werkomstandigheden in dienst van de reders vaak slecht. Ook de vishandel verdween van het strand. Na de opening van het Noordzeekanaal ontdekten vissers en reders dat de nieuwe havenmond van IJmuiden met zijn twee lange pieren een beschutte en veilige ligplaats bood voor hun schepen. Al snel was het er zo druk met vissersboten en handel in vis dat de grote zeescheepvaart er hinder van ondervond. De vissers kregen daarom in 1896 een eigen vissershaven. Twee jaar later ging de monumentale Rijksvisafslag in IJmuiden open. De handel profiteerde daarnaast van de aanleg van het 'visserslijntje', de spoorlijn tussen Haarlem en IJmuiden, geopend in 1899, en van de oprichting van de eerste kunstijsfabrieken. Bewaard op ijs was de verse vis langer houdbaar en kon per spoor voortaan zelfs naar Duitsland worden uitgevoerd. In 1914, aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, telde de IJmuider vloot 155 trawlers, een derde van de totale Nederlandse vissersvloot.