1491 - 1492

Het Kaas- en Broodvolk

Op de avond van 3 mei 1492 verscheen een leger met hooivorken, zeisen, knuppels en hellebaarden gewapende boeren en burgers uit Kennemerland en West-Friesland voor de muren van Haarlem. Zij droegen vaandels mee waarop kazen en broden waren geschilderd en eisten dat zij de stad werden binnengelaten. Het angstige stadsbestuur gaf bevel de poorten gesloten te houden. Maar de belegeraars hadden medestanders in de stad. Die wisten de Kruispoort van binnenuit te openen.

De tierende meute trok daarop door de straten en maakte zich meester van het stadhuis. Schout en belastinginner Claes van Ruyven werd onder aanvoering van de Haarlemse linnenwever Willem Dirksz naar buiten gesleept en doodgestoken. Zijn in stukken gesneden lichaam lieten de opstandelingen in een mand achter voor zijn weduwe, vergezeld van het wrange rijmpje: 'O vrouwken van Ruyven, an deze boutkens zal dy kluyven'. Vervolgens was het de beurt aan de huizen van rijke Haarlemmers, die grondig werden geplunderd.

De explosie van bruut geweld kwam niet uit de lucht vallen. De opstand van het 'kaas- en broodvolk' had het jaar tevoren al een voorloper gehad op het Noord-Hollandse platteland. Politieke onrust en misoogsten hadden geleid tot een verdrievoudiging van de voedselprijzen. De boeren, maar ook handwerkslieden en kleine middenstanders in de steden, waren daarbij verbitterd over de hoge belastingen die zij moesten betalen. Hongersnood dreigde. De vlam was in de pan geslagen toen landsheer Maximiliaan van Oostenrijk een verhoging van het 'ruitergeld' had bevolen, een belasting voor het onderhoud van zijn troepen. De opbrengst gebruikte hij om opstandige Hollandse steden in het gareel te dwingen en dure oorlogen ver over de grenzen te voeren.

De volkswoede richtte zich in eerste instantie tegen de lokale belastinginners, leden van de welgestelde stedelijke elite. Groepen berooide plattelanders trokken naar Hoorn en Alkmaar, sommigen met stukken kaas en brood op hun borst gespeld om duidelijk te maken dat zij vochten tegen de honger. Alkmaar werd het brandpunt van het oproer. In de stad was het al in april 1491 tot een geweldsuitbarsting gekomen, waarbij de knecht van de grafelijke rentmeester Claes Corff was doodgeslagen.

Nadat het kaas- en broodvolk in triomf door Kennemerland was getrokken en Haarlem had bezet, trok hun leger, aangegroeid tot een paar duizend man, op naar Leiden. Daar werden zij voor de stadspoorten teruggeslagen. In Noordwijk had zich intussen een leger Duitse huurlingen van Maximilaan verzameld. De soldaten trokken plunderend door Zandvoort, Wijk aan Zee en Beverwijk terwijl ze de vluchtende opstandelingen voor zich uit dreven. Op het kerkhof van Heemskerk maakten zij ten slotte op 15 mei bloedig korte metten met de laatste restanten van het volkslegertje.

Het antwoord van Maximiliaan van Oostenrijk op de gebeurtenissen was meedogenloos. Driehonderd burgers uit de Noord-Hollandse steden en dorpen moesten blootshoofds, blootvoets en gekleed in linnen hemden bij zijn hoogste vertegenwoordiger in Holland om genade smeken. Haarlemmer Willem Dircksz eindigde samen met andere aanstichters van het oproer op het schavot. De steden die hadden verzuimd het oproer neer te slaan, kregen hoge boetes opgelegd en verloren tijdelijk hun stadsrechten. Alkmaar moest zijn muren en poorten neerhalen. Haarlem wist plundering door de Duitse huurlingen af te kopen tegen een som van 26.000 Rijnse guldens, maar werd bestraft met de inkwartiering van een garnizoen regeringssoldaten. Als bijkomende verplichting moest de stad in het koor van de Grote Kerk een glas-in-loodraam laten plaatsen ter nagedachtenis aan de gruwelijk vermoorde schout Claes van Ruyven.