1863 - 1901 Tijd van burgers en stoommachines

Het Kinderwetje van Van Houten

De fabriek uit, de school in

Kinderen zijn goedkope arbeidskrachten en daarom willen fabriekseigenaren hen graag als personeel. Naarmate het aantal fabrieken toeneemt, groeit ook het verzet tegen kinderarbeid. In 1874 verbiedt het Kinderwetje van Van Houten arbeid van kinderen tot twaalf jaar. Vanaf 1901 moeten alle kinderen van zeven tot twaalf jaar naar school.

Kinderarbeid
Door de geschiedenis heen is kinderarbeid een normaal verschijnsel. Kinderen werken op het land, in de winkel of in de werkplaats. Dat wordt niet alleen nuttig gevonden – ze kunnen daar wat van leren – maar het is vaak ook pure noodzaak om het gezinsinkomen op peil te houden. Tijdens de industriële revolutie worden steeds meer kinderen in de fabriek aan het werk gezet, vaak onder slechte werkomstandigheden. Bekend is het verhaal van de glasfabriek van Petrus Regout in Maastricht, waar de ovens dag en nacht branden. De fabriek draait met twee ploegen die elk twaalf uur moeten werken. Kinderen van acht tot tien jaar oud lopen rond twaalf uur ’s nachts half in slaap over straat om aan hun werk te beginnen.

Kritiek
Vanaf het begin van de negentiende eeuw komen er wetten die kinderarbeid enigszins inperken, zoals in het Duitse Pruisen in 1839. Omstreeks 1860 begint in Nederland de kritiek op kinderarbeid toe te nemen. Artsen en onderwijzers leggen uit dat het werk ongezond is en dat kinderen in de schoolbanken thuishoren. Fabrieksdirecteuren gaan langzaam maar zeker inzien dat ze kinderen beter in dienst kunnen nemen nadat ze hun lagere school hebben afgemaakt. Kinderen van twaalf jaar en ouder die kunnen lezen en schrijven, zijn immers breder inzetbaar in de fabriek.

Een belangrijke stem in het debat is die van schrijver Jacob Jan Cremer. Na een bezoek aan een Leidse textielfabriek houdt hij in 1863 voor een select Haags gezelschap een vlammend betoog. Hij schetst de verschrikkelijke omstandigheden waarin kinderen moeten werken en doet een oproep aan de koning om kinderarbeid per direct af te schaffen. Onder het geschokte publiek bevinden zich ook enkele Kamerleden en fabrikanten. Cremers betoog slaat in als een bom en wordt gepubliceerd onder de titel Fabriekskinderen. Onder druk van de publieke opinie stelt minister Thorbecke datzelfde jaar een staatscommissie in om onderzoek te doen naar kinderarbeid.

Wetgeving
In 1874 dient de liberale politicus Samuel van Houten een initiatiefwet in tegen ‘overmatigen arbeid en verwaarlozing van kinderen’. Deze wet verbiedt de arbeid van kinderen tot twaalf jaar in werkplaatsen en fabrieken. Hoewel Van Houten met zijn wet een algemeen verbod nastreeft, wordt zijn voorstel in de Tweede Kamer afgezwakt. Zo komt er met zijn wet nog geen verbod op landarbeid door kinderen. En door gebrek aan controle is het niet mogelijk om fabrieksarbeid door kinderen onmiddellijk uit te bannen. De Leerplichtwet van 1901 maakt een definitief einde aan de kinderarbeid. Vanaf dat moment zijn ouders verplicht hun kinderen van zeven tot en met twaalf jaar naar school te sturen. In de praktijk doen de meeste ouders dat dan al. Rond 1900 bezoekt 90 procent van de kinderen een school.

Tegenwoordig is kinderarbeid in het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (1989) verboden als die ‘ongezond of schadelijk’ is. Toch werken wereldwijd in 2019 maar liefst 152 miljoen kinderen, van wie 73 miljoen onder gevaarlijke omstandigheden.

 

Bijbehorende hoofdlijn: