1888

De waterleiding

Verbetering van de hygiëne

Tijd van burgers en stoommachines

Eeuwenlang haalden de Kampenaren hun drinkwater uit de IJssel, de grachten en stadspompen die her en der in de stad waren te vinden. Dat het drinken van dit water niet bepaald gezond was, was tot ver in de 19de eeuw onbekend. Riolering bestond niet. De stadsgracht fungeerde als open riool, waarin naast het afvalwater ook de urine en de uitwerpselen van mens en dier terecht kwamen. Door de vele mestbelten was ook het grondwater zwaar vervuild. Dat de stadspompen zo dus een bron van bacteriële infecties waren, spreekt voor zich. Met name een uitbraak van cholera lag altijd op de loer.

Cholera

Van de ware aard van deze ziekte had men lange tijd geen weet. Algemeen werd aangenomen dat "bedorven lucht" de belangrijkste oorzaak was van ziekten als cholera. "Kwade dampen" werden verantwoordelijk gehouden voor het uitbreken van epidemieën. Ook het eten van "verkoelende vruchten" kon de ziekte uitlokken. Onder "verkoelende vruchten" verstond men eigenlijk alles wat nu als gezond geldt, zoals bessen, appels, peren en kersen. Maar ook het eten van komkommers, snijbonen en andere groenten werd afgeraden. Net als trouwens het drinken van karnemelk of koud water. "Evenmin vertoeve men in de avondlucht, wier invloed zeer nadeelig is", zo luidde destijds het welgemeende advies. Uitbraken van cholera kwamen regelmatig voor. Zo werd de stad in de 19de eeuw maar liefst vijfmaal door deze ziekte getroffen. Berucht is de epidemie van 1866. Deze kostte in heel Nederland aan ruim 19.000 mensen het leven, op een bevolking van 3.500.000. Van de destijds 250.000 Overijsselaars stierven er in totaal 1.017. Van alle Overijsselse steden werd Kampen het zwaarst getroffen. Niet minder dan 305 mensen kwamen hier door de cholera om het leven. Vooral in de volkrijke armere buurten zoals het Keizerskwartier was het aantal slachtoffers hoog.

Water van de Veluwe

Langzamerhand groeide het besef dat het verontreinigde drinkwater van de stadspompen wel eens letterlijk de bron van alle ellende kon zijn. De ontdekking van "wezentjes van uiterst geringe grootte" (bacteriën) leidde tot een ommekeer. Serieuze stappen werden genomen om de hygiëne in de stad te verbeteren. In 1880 werd de gemeentelijke reinigingsdienst in het leven geroepen. De taak van deze nieuwe instelling was het afvoeren van het straat- en huisvuil. Ook werd het zogenoemde tonnenstelsel ingevoerd. Elk huishouden kreeg gratis een "drekbak" ter beschikking. Hierin werden de menselijke uitwerpselen verzameld. De ton werd regelmatig voor een schone gewisseld. Door deze maatregelen verbeterde de hygiënische situatie sterk, maar de zware verontreiniging van het grondwater bleef een probleem. De gemeentelijke Gezondheidscommissie deed in 1873 een onderzoek naar mogelijke zuivering van het drinkwater, maar de hoge kosten die dit met zich mee bleek te brengen maakte het gemeentebestuur huiverig. In 1881 deed de Gezondheidscommissie een voorstel aan de gemeente een waterleiding van gezuiverd IJsselwater aan te leggen. Het was het raadslid Willem Gerrit Boele die fel tegen dit plan gekant was. Niet omdat hij tegen de drinkwaterleiding was, maar volgens Boele was met name de IJssel drager van de ziektekiemen. Hij wees op "al die privaten van steden en dorpen" die in de IJssel uitkwamen, en dat er "millioenen visschen in leven en hun stofwisseling hebben en waarin soms lijken van menschen en dieren ontbinden". Volgens Boele was er onder de heide bij Wezep goed en gezond water in overvloed dat via een buizenstelsel gemakkelijk naar Kampen was te transporteren. Na veel wikken en wegen en de nodige proefboringen werd besloten tot aankoop van een stuk grond bij Wezep ten behoeve van de drinkwaterwinning. Er werd een pompstation gebouwd om het water naar boven te halen. Op 1 april 1889 werd het eerste water aan de Kamper gebruikers geleverd. Het was meteen een groot succes en steeds meer woningen werden op de waterleiding aangesloten.

Boerenopstand

Natuurlijk was er ook weerstand. Vooral de Kamper stadsboeren bleven gebruik maken van de vertrouwde stadspompen. Zij hadden voor hun koeien veel water nodig en het pompwater was in tegenstelling tot het leidingwater gratis. Uit hygiënisch oogpunt was dit niet wenselijk. Toen het gemeentebestuur de stadsboeren in 1902 verbood nog langer verontreinigd water te gebruiken, lieten sommige stadsboeren het erop aankomen. Zij werden beboet maar weigerden de boete te betalen. Een aantal van hen werd daarop naar de Zwolse gevangenis overgebracht om daar een paar dagen te brommen. Bij hun terugkomst in Kampen werden ze door een grote groep aanhangers als helden ontvangen. Het liep uit op rellen waarbij de politie met stenen werd bekogeld, zodat deze zich genoodzaakt zag de sabel te trekken en zelfs waarschuwingsschoten te lossen. Pas na de komst van een detachement bereden marechaussee keerde de rust terug. Met recht kan gesproken worden van een storm in een glas water. Al snel schikten ook de Kamper stadsboeren zich in hun lot en wilde geen Kampenaar het water uit Wezep nog missen.