ca. 1345

Het Raadhuis

Bestuur en rechtspraak

Tijd van steden en staten

Kampen was een autonome stad. Dat betekende dat de burgers hun eigen regering konden benoemen en dat die regering intern en extern ver­gaande bevoegdheden bezat. De stad had de hoge recht­spraak, die normaliter was voorbehouden aan de landsheer, dan wel zijn verte­genwoordiger, de hoogschout of drost. Deze hoge jurisdic­tie omvatte ook het strafrecht, en daarin konden lijf­straffen worden opgelegd, inclusief dood­vonnissen. Naar buiten toe betekende de autono­mie onder meer, dat men een andere stad of een vreemde mogend­heid de oorlog kon ver­kla­ren. Defen­sie was een stede­lijke aangelegen­heid, reden waarom men de stad omring­de met grachten, wal­len, muren en poor­ten. Het stadsbe­stuur bestond lange tijd uit twaalf schepenen en twaalf raden. De eerste groep was uitvoe­rend, de tweede had een controlerende taak, maar beide be­stonden uit dezelf­de men­sen die onderling van functie wissel­den. Het voor­zit­ter­schap van het sche­pencol­lege werd bij toer­beurt door twee schepenen bekleed. Zij werden aange­duid als burge­meester, meestal met de toevoe­ging in der tijd, wat zoveel betekent als "voor het moment" of "fungerend". De schout, oor­spronke­lijk toe­zichthou­der namens de landsheer, had later alleen nog de be­voegd­he­id van rechts­vorderaar, een soort officier van justi­tie.

Bestuurselite

De colleges van Schepenen en Raden stamden uit de meest voor­aanstaande fami­lies en vormden samen een vrijwel gesloten bestuurselite. Ze werden voor het leven benoemd. Bij vacatu­res door overlijden koos men door­gaans een lid uit het advies­or­gaan van de burge­rij, de gezwo­ren gemeen­te. Deze werd ge­vormd door een "gro­te" en een "klei­ne" gemeen­te, beide be­staande uit 24 leden ‒ zes uit elk der vier wijken van de stad. Ook deze colleges werden benoemd, waarbij gilden en ambachten een belangrijke vinger in de pap moeten hebben gehad. De dag waarop de oude schepe­nen "afgingen", na hun beleid te hebben verantwoord, en waarop de nieuwe schepenen in func­tie traden, werd keurdag genoemd. Deze viel in Kampen begin janua­ri, op de zondag na Driekoningen. Het woord keur beteken­de in de eerste plaats "ke­uze", maar omdat er die dag meestal ook nieuwe verordenin­gen werden gemaakt of oude bevestigd, werden deze eveneens als keur aangeduid. Van­daar ging ook het geheel van geldende rechtsre­gels keur, stadskeur of willekeur heten.

Taken

In de keur werd alles vastgelegd wat tot de competentie van het stads­bestuur behoorde. Het ging om een brede uitvoe­rende, wetge­vende en rech­terlijke taak. Zo hield men toe­zicht op de algemene orde in de stad, waaron­der vei­lig­heid, bouw­werk­zaam­hed­en, verkeer, volks­ge­zond­heid, zede­lijk­heid en nu en dan ook religiezaken. Verder beheer­de het stadsbestuur de openbare gebou­wen, regelde de openba­re werken, ver­huurde de stedelij­ke eigen­dommen, beheerde de financiën, regelde econo­mische aange­le­gen­heden zoals mark­ten, munt­koer­sen en gilde­zaken, onder­hiel­d diplomatieke en mili­taire contac­ten met regiona­le en interna­tio­nale part­ners, en met de eigen lands­heer, de bis­schop van Utrecht. De recht­spraak ­was de meest in het oog vallende taak van de schepenen. Zij waren bevoegd tot het opleggen van zware straf­fen als openbare vernedering, brand­merking, verbanning en ver­minking, en van doodstraffen als radbraken, onthoofden en hangen. De slachtof­fers werden op Seveningen publiekelijk te kijk gesteld, als afschrikwekkend voorbeeld voor inwoners en vreemdelingen.

Raad- en rechthuis

Het oudste schepenhuis stond aan het begin van de Oudestraat, op de plaats (nr. 4) waar tegenwoordig nog het huis De Zeven­ster is te vinden. Omstreeks 1345 werd er een begin gemaakt met de bouw van een afzonder­lijk raadhuis, waar vervolgens de verga­derin­gen plaats­vonden. Dit wordt nu ­aange­duid als het Oude Raad­huis. Daar­naast lag het wijn­huis, ook wel wijn­kelder of stads­wijnhuis genoemd, waar offi­ciële bij­een­kom­sten werden beklon­ken, keur­maal­tijden gehouden en gasten ont­van­gen; hier staat nu het Nieuwe Raad­huis. Beide huisves­ten sinds 2009 het Stedelijk Museum. De eerste verdie­ping van het Oude Raad­huis werd waar­schijnlijk al in de 14de eeuw ge­bruikt voor recht­zittin­gen en werd ook als rich­thuus aange­duid. De toenmalige sce­penca­mer is in 1543 uitge­brand en her­bouwd als de nog bestaan­de schepenzaal in renais­sance­stijl. Het oudste bouwkun­dige onderdeel vormt overigens de zware ijzeren toe­gangsdeur tot de Schepentoren, die werd buitgemaakt bij de verovering van de burcht Voorst bij Zwolle in 1362.

Stedelijke trots

Hoewel het Oude Raadhuis bescheiden is in vergelijking met de gebouwen in andere laatmiddeleeuwse handelssteden, stralen stedelijke trots en zelfvertrouwen ervan af. De renaissance­schouw in de schepenzaal bevat onder de lijfspreuk van keizer Karel V, Plus ultra ("Steeds verder"), een vermanende tekst over rijken die vallen en burgerzin die overwint. Aan de buitengevel staan A­lexander de Grote en Karel de Grote als twee der "Negen Besten" onder de regeerders, en de deugden Rechtvaardigheid, Naastenliefde, Matigheid en Trouw. De huidi­ge beelden zijn replica's. De originelen bevinden zich in de Koornmarktspoort en enkele daarvan behoren tot de oudste wereldlijke beeld­houwwerken in Nederland.