1826

Lehmkuhl & Co.

De sigarenindustrie

Tijd van burgers en stoommachines

Na een lange periode van economische teruggang werden er tussen 1825 en 1850 verschillende initiatieven genomen om de Kamper economie weer aan te zwengelen. De komst van de Duitse fabrikant Johan Wilke Lehmkuhl met vier knechten vanuit Bremen vormde een hoopvol begin van betere tijden. In 1826 richtte hij de eerste Kamper en waarschijnlijk ook de eerste Nederlandse sigarenfabriek op. Hij werd daarin gestimuleerd door het grote potentieel goedkope arbeidskrachten dat beschikbaar was: het sigarenmaken was arbeidsintensief, maar relatief gemakkelijk te leren. In Lehmkuhls voetspoor volgden spoedig anderen. In enkele decennia werd de sigarenproductie een van de belangrijkste plaatselijke industrieën, al was die in het begin nog grotendeels gebaseerd op handwerk.

Elisabeth Bas en Uiltje

De eerste 50 jaar maakte de industrie een vrijwel ononderbroken groei door. In 1878 waren er 26 sigarenfabrieken. 2 jaar later werkten er 1.400 mensen in deze industrie. De grootste fabrikanten, naast J.C. Lehmkuhl & Co, die zijn vader Johan Wilke opvolgde, waren C.J. Boele en Zn., Van Hulst en Schaepman, en Bessem en Hogenkamp. Het aantal arbeidskrachten per bedrijf varieerde van 150 tot 500. De pioniersrol van Lehmkuhl werd overgenomen door W.G. Boele, de zoon van C.J. Hij maakte zijn fabriek La Bolsa tot de grootste van Kampen. Hij was de eerste die op grote schaal machines introduceerde en had vrijwel het complete productieproces in eigen hand, inclusief toeleverings- en verpakkingsindustrie. Hij beschikte zelfs over een eigen drukkerij. Voor 19de-eeuwse begrippen zorgde hij goed voor zijn arbeiders, onder meer door hun onderwijs te geven. Tegelijk bleef hij een verlicht despoot, die stakingen en andere onrust met alle beschikbare middelen bestreed, net als zijn collegapatronen. De sigarenindustrie deinde heftig mee op de golven van de conjunctuur. Bedrijven kwamen en gingen, of fuseerden. Behalve de hierboven genoemde verdienen de firma's van A.A.C. van der Mijle (1881), de Wed. J. van Nelle (1894), Smit en ten Hove (1895) en Wascana (1921) vermelding. De Kamper fabrieken produceerden landelijk bekende merken die bij sommigen nog steeds tot de verbeelding spreken, zoals Elisabeth Bas en Uiltje.

Thuiswerkers

Naast de fabricage in fabrieken ontstond er een grote thuisindustrie: particulieren die werkten in opdracht van fabrikanten (op stuksprijs) of voor zichzelf. Vooral in slechte tijden, waarin ontslagen vielen, begonnen veel arbeiders als zelfstandige. Dat gebeurde vaak onder beroerde huiselijke omstandigheden met lange werkdagen. Voor patroons leek het uitbesteden van werk aan thuiswerkers aantrekkelijk, omdat ze niemand in vaste dienst hoefden te nemen, daardoor flexibeler konden produceren en tegelijkertijd kostbare werkruimte uitspaarden. Voor de arbeiders leek het aantrekkelijk vanwege de grotere vrijheid die men verwachtte. In de praktijk viel het thuiswerken voor beide partijen tegen. Het heeft bijgedragen aan de beruchte naam van de werkomstandigheden in de sigarenindustrie, met name de thuisindustrie. Pas eind 19de eeuw werden er initiatieven tot verbetering genomen, maar zonder veel succes. De sociale samenhang en organisatiedrang onder Kamper arbeiders was laag. Van de 700 sigarenmakers in 1896 waren er maar 75 aangesloten bij een vakvereniging. De in 1897 opgerichte Kamer van Arbeid voor de Tabaksindustrie bracht hierin weinig veranderingen teweeg. In 1914 besloten de patronen tot de oprichting van de Vereniging van Sigarenfabrikanten, waarbij vrijwel alle grote fabrikanten waren aangesloten, zodat zij wel een gesloten front konden vormen. De Tabakswet van 1921 bracht enige verandering. Deze wet bepaalde dat er een accijnsheffing kwam op rookwaren en dat sigaren verzegeld verpakt moesten worden. Veel kleine zelfstandigen hielden het na deze kostenverzwaring voor gezien.

Achteruitgang

Na 1880 had de sigarenindustrie zijn beste tijd gehad. Betere perioden werden afgewisseld met mindere, door oorlog, crises of handelsbeperkingen. De algehele tendens was die van stilstand en dus achteruitgang. Na de Tweede Wereldoorlog waren er nog maar enkele grote fabrieken over: La Bolsa v/h C.J. Boele, Smit en ten Hove en Van der Sluis. In de daaropvolgende decennia werden de fabrieken gesloten, verplaatst of ze fuseerden. De resterende fabrieksgebouwen, waaronder die van Lehmkuhl, besloegen vaak forse delen van de binnenstad. Deze gebouwen werden gesloopt of verbouwd tot (studenten-)woningen. Sinds de fabriek Oud Kampen naar elders vertrok, is er nog maar één kleinschalige fabrikant (kwaliteits-)sigaren in Kampen: De Olifant aan de Voorstraat. Achteraf gezien is de sigarenindustrie mogelijk eerder een plaag dan een zegen geweest voor Kampen. De dominantie van de sigarenindustrie heeft de komst van andere bedrijven naar Kampen belemmerd. Hierdoor ontstond een eenzijdige economische structuur, die pas na de Tweede Wereldoorlog enigszins verbeterde.